Vragen van lezers
● Wat betekenen de woorden in 1 Timotheüs 2:15? „Zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.” — A.B., Washington.
Deze tekst wordt duidelijker wanneer hij in het verband uit de Nieuwe-Wereld-Vertaling wordt aangehaald: „Ik wens dat de vrouwen zich in goedgeschikte kleding sieren, met bescheidenheid en gezond verstand, niet met vormen van haarvlechtingen en goud of paarlen of zeer kostbare kledij, maar op de manier welke betamelijk is voor vrouwen die belijden God te vereren, namelijk, door middel van goede werken. Laat een vrouw in stilheid leren in volledige onderdanigheid. Ik sta niet toe dat een vrouw onderwijst, of over een man autoriteit oefent, maar dat zij in stilheid is. Want Adam werd eerst geformeerd, daarna Eva. Ook werd Adam niet misleid, maar de vrouw werd grondig misleid en geraakte in overtreding. Zij zal echter veilig worden bewaard door middel van het baren van kinderen, mits zij blijven in geloof en liefde en heiliging, en een gezond verstand bewaren.” — 1 Tim. 2:9-15.
Paulus spreekt hier over letterlijke vrouwen in de Christelijke gemeente. Hij beveelt hun aan dat zij zich met bescheidenheid en gezond verstand kleden, dat zij zich veeleer op goede werken als versiering dienen te verlaten dan op opzichtige en kostbare kledij. Hij raadt hun aan in stilheid te leren, op de hun toegewezen plaats in de gemeente te blijven en niet te trachten de mannen in posities met autoriteit te vervangen. Dan haalt hij als een voorbeeld het geval van Adam en Eva aan om de wijsheid van deze regeling aan te tonen.
De man kwam destijds eerst, niet de vrouw. Eveneens werd de man niet verleid, maar de vrouw. Destijds in Eden liep zij op haar echtgenoot vooruit. De gevolgen waren voor hen beiden noodlottig. Geen van beiden zal een opstanding in de nieuwe wereld ontvangen. Het feit dat Eva kinderen heeft gebaard, zal haar niet redden; evenmin zullen de goddeloze vrouwen die in de Vloed omkwamen, of die welke in Armageddon zullen sterven, door het baren van kinderen worden gered. Nadat de apostel Adam en Eva als voorbeelden heeft gebruikt en door middel daarvan de wijsheid van Gods regeling, die er in bestaat dat de man in de gemeente autoriteit oefent, heeft aangetoond, vervolgt hij zijn bespreking aangaande het gedrag van de Christelijke vrouwen in de gemeente: „Zij zal echter veilig worden bewaard door middel van het baren van kinderen, mits zij blijven in geloof en liefde en heiliging, en een gezond verstand bewaren.”
Iemand die redelijk is, zal stellig niet beweren dat vrouwen worden gered omdat zij kinderen baren. Dat zij door het kinderen baren „veilig” wordt „bewaard”, kan niet betekenen dat zij tot eeuwig leven wordt gered. Denk eens aan de vrouw die een bloedvloeiing had, en die werd genezen toen zij Jezus had aangeraakt. Hij zeide tot haar: „Uw geloof heeft u gered” (Matth. 9:22, NW, kanttekening). Hij bedoelde niet dat zij tot eeuwig leven was gered, maar dat zij was genezen en beveiligd tegen verdere kwelling door deze ziekte van haar. Zo is het ook in het geval van de vrouwen in de Christelijke gemeente, zij zullen „echter veilig worden bewaard door middel van het baren van kinderen, mits zij blijven in geloof en liefde en heiliging, en een gezond verstand bewaren”. De plaats van de vrouw in de huwelijksregeling is: kinderen baren en hen in de wegen van Jehova onderwijzen. Dit zal haar tezamen met de Koninkrijksdienst die zij verricht, bezig houden, zonder dat het nodig is dat zij tracht er toe bij te dragen de theocratische organisatie te bestieren. Wanneer zij zo handelt, zal zij worden beveiligd tegen ledigheid en wangedrag.
In het vijfde hoofdstuk van deze brief aan Timotheüs bespreekt Paulus enige van de valstrikken waarin sommige vrouwen geraken, en nadat hij heeft gesproken over enige jongere weduwen die zonder bezigheid rondlopen, kletsen en zich met andermans zaken bemoeien, geeft hij de raad: „Ik wens . . . dat de jongere weduwen trouwen, kinderen baren, een huishouding besturen, en de tegenstander geen aanleiding geven tot smaden” (Vers 11-15, NW). Dit zal hen binnen zekere grenzen houden, het zal hun iets te doen geven. Dit zal een heilzame bezigheid voor hen zijn en hen beveiligen. Indien zij hun plicht als vrouw en moeder vervullen en een huishouding besturen, en hun dienst als Koninkrijksverkondigster blijven voortzetten, zullen zij veilig zijn voor de strikken waarin luie en niet-theocratische vrouwen geraken.
● Ik heb altijd gedacht dat Abraham, Izak en Jakob Joden waren. Doch in De Wachttoren van 1 november 1950, bladzijde 341, wordt gezegd: „Abraham was geen Jood.” Is dat juist? — C.A., New York.
Abraham zou geen Jood geweest kunnen zijn, daar Joden of Judeeërs afstammelingen waren van zijn achterkleinzoon Juda, die door Jakob, toen hij op zijn sterfbed zijn twaalf zonen zegende, met de bijzondere belofte betreffende de schepter en Silo werd gezegend. De uitdrukking Jood verschijnt derhalve in de tijd van Jeremia voor de eerste maal in de Hebreeuwse Bijbel, in Jeremia 34:9, ook in Esther in verband met Mordechai de Jood en in de profetie van Zacharia 8:23, die na de gevangenschap werd uitgesproken. De uitdrukking „Joden” komt eveneens in 2 Koningen 16:6 en 25:25 voor; er wordt algemeen aangenomen dat Jeremia de samensteller van 1 en 2 Koningen is. Alle Israëlieten die de stam van Juda trouw bleven vanwege de Koninkrijksbelofte die er aan was verbonden, werden Joden of Judeeërs genoemd, en op deze wijze wordt de naam in de Christelijke Griekse Geschriften gebruikt.