Vragen van lezers
● Wat wordt in Openbaring 20:5 bedoeld met de woorden: „De overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren”? — J.S., Kentucky.
Dit betekent niet dat „de overigen der doden”, zij die niet tot de lichaamsleden van Christus behoren, welke gedurende duizend jaren met hem in de hemel regeren, pas aan het einde van het millennium een opstanding verkrijgen. Het woord „weder” komt niet in de oude betrouwbare manuscripten voor, zoals wordt aangetoond door de moderne vertalingen die op de jongste studiën op dit gebied zijn gebaseerd. De Nieuwe-Wereld-Vertaling vertolkt dit gedeelte van de tekst als volgt: „De overigen der doden kwamen pas tot leven toen de duizend jaren waren geëindigd.” Gedurende de afgelopen eeuwen is de mensheid in het algemeen als ’dood in overtredingen en zonden’ beschouwd, onder het doodsoordeel dat zij van Adam hebben geërfd, zonder recht op leven, en derhalve in Gods ogen niet in het bezit van leven in de volledigste zin. De voordelen van Christus’ rantsoen voor hen die de aarde zullen bewonen, bereiken niet eerder hun hoogtepunt dan aan het einde van de duizendjarige regering, na de beproeving die wordt veroorzaakt door de terugkeer van Satan gedurende een korte tijd. Dan verklaart Jehova God hen rechtvaardig en schrijft hun namen voor altijd in het „boek des levens”, waarna zij ten volle het eeuwige leven binnengaan. Dan, wanneer de Adamietische dood is opgeheven, ’komen’ de bewoners der aarde voor de eerste maal ’tot leven’ in de volste betekenis van leven, zoals Jehova God leven beschouwt. — Ef. 2:1, LV; Openb. 20:7-9, 12, 15; 22:19.
● Hoe kon Jezus de vijgeboom die geen vrucht droeg, terecht veroordelen en laten verdorren, gezien het feit dat het niet de tijd voor vijgen was? — P.S., Oklahoma.
Het bericht luidt: „Van een afstand kreeg hij een vijgeboom in het oog die bladeren had, en hij ging zien of hij er misschien iets aan zou vinden. Maar, toen hij er bij was gekomen, vond hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd voor vijgen. Als antwoord zeide hij er derhalve tegen: ’Moge niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid.’” Spoedig daarna verdorde de boom en stierf (Mark. 11:12-14, 20, NW). Verschillende Bijbelgeleerden trachten te bewijzen dat onder zekere omstandigheden bomen in die tijd van het jaar vijgen droegen, maar hun argumenten schijnen niet al te sterk en kunnen de Schriftuurlijke verklaring dat ’het niet de tijd was voor vijgen’, niet ongedaan maken. Waarom werd de boom dan veroordeeld? Omdat zij die het voorkomen van de boom zagen, er vruchten aan verwachtten. Bij vijgebomen verschijnen de vruchten eerder dan de bladeren en wanneer de bladeren uit zijn, kan men verwachten vruchten te vinden. Deze boom had bladeren. Jezus zag dit van een afstand. Hij had het recht vruchten aan deze boom te verwachten, gezien het bladerrijke voorkomen van de boom, en daarom ging hij enige vijgen halen om zijn honger te stillen. Toen hij er geen vond, veroordeelde hij de boom. Toegegeven dat het niet de tijd voor vijgen was, doch deze boom was blijkbaar een uitzondering, om een of andere reden ongewoon vroeg, en de bladeren er van beloofden vruchten. De boom doet denken aan de Joodse natie, die in een verbond met God stond, zijn wet had, de vormen van aanbidding in acht nam en het uiterlijke voorkomen had dat ze vruchten voor God droeg; toen Christus Jezus echter naar de aarde kwam en die natie onderzocht, bemerkte hij dat de aanspraken die ze er op maakte, vruchten te dragen, vals waren en hij veroordeelde die natie, zeggende: „Uw huis wordt u woest gelaten.” De natie verdorde en stierf als Gods heilige natie, want ze werd door hem verworpen en daarna kwamen de Romeinen en verwoestten Jeruzalem. — Matth. 23:38.
● Sluit de uitdrukking „in Christus [zullen] allen levend gemaakt worden” Adam niet in? — P.E., Maryland.
Klaarblijkelijk nam Adam met betrekking tot loskoping een andere positie in, dan zijn afstammelingen. Hij bezat het recht op leven, maar stelde het niet genoeg op prijs of waardeerde het niet genoeg om er aan vast te houden, terwijl zijn afstammelingen nooit het recht op leven hebben gehad en van het begin af loskoping nodig hadden. Er dient te worden opgemerkt dat in de verklaring „gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden”, Adam van de vergelijking wordt uitgesloten (1 Kor. 15:22). Wij kunnen niet zeggen dat Adam in Adam is gestorven. Adam werd persoonlijk ter dood veroordeeld voor zijn eigen opzettelijke overtreding, doch zijn nakomelingen niet. Noch zegt de Bijbel ergens dat Adam degene was die werd losgekocht, en dat daardoor al zijn afstammelingen automatisch werden bevrijd. Het rantsoen of de losprijs wordt niet voor één, maar „voor velen” of „voor allen” gegeven (Matth. 20:28; 1 Tim. 2:6). In 1 Korinthe, hoofdstuk 15, bespreekt de apostel echter de opstanding van de leden van Christus’ lichaam. De verklaring dat ’in Christus allen levend gemaakt zullen worden’ is van toepassing op allen „die in Christus ontslapen zijn” (verzen 6 en 18), en niet op de mensheid in het algemeen. (Zie The Watchtower van 1 april 1944, par. 22-25.) Zij die aldus levend gemaakt worden, moeten derhalve in verwantschap met Christus als de Levengever komen, en zij worden tot leden van zijn lichaam gemaakt. Niet alle mensen ontvangen de voordelen van Christus’ rantsoen, doch alleen „allen, die Hem gehoorzaam zijn”. De veroordeling die van Adam is geërfd, wordt met betrekking tot hen die Christus Jezus geloven en gehoorzamen, opgeheven; ze blijft op hen die niet geloven en niet gehoorzamen. — Joh. 3:18, 36; Hebr. 5:9.