ZOFAR
(Zofar).
Een van Jobs drie „metgezellen”; de Naämathiet. De betekenis van deze naam is nogal onzeker (Job 2:11). Zofar was de derde spreker in het debat met Job. Zijn redenatie volgde in grote trekken die van Elifaz en Bildad; hij beschuldigde Job van goddeloosheid en zei dat hij zijn zondige praktijken moest laten varen (Job hfdst. 11, 20). Maar na twee ronden deed Zofar er het zwijgen toe; hij had zijn veroordelende woorden uitgesproken en had daar in de derde ronde niets meer aan toe te voegen. Uiteindelijk gebood Jehovah dat hij en zijn metgezellen een groot slachtoffer moesten brengen, en Job moest ten behoeve van hen bidden. — Job 42:7-9.