ZEUS.
De oppergod van de Grieken, die overeenkomt met Jupiter van de Romeinen. Zeus gold als hemelgod en heerser over winden, wolken, regen en donder. Men meende dat hij zijn macht over deze natuurkrachten zowel voor verwoestende als voor heilzame doeleinden aanwendde. Bij de dichter Homerus uit de oudheid is Zeus sterker dan alle andere goden samen. Zeus werd echter niet in absolute zin als de allerhoogste God beschouwd, maar wordt soms afgebeeld als iemand die zich laat bedriegen en zich moet voegen naar de wil van de Schikgodinnen en het Noodlot.
Soms kwam de zuivere aanbidding van Jehovah rechtstreeks in conflict met de aanbidding van de valse god Zeus. Koning Antiochus IV Epiphanes, die de joodse religie wilde uitroeien, gebood de tempel te Jeruzalem te ontwijden en opnieuw op te dragen, ditmaal aan Zeus Olympios. Zie het apocriefe boek 2 Makkabeeën 6:1, 2.
In de 1ste eeuw G.T. beschouwden de inwoners van de stad Lystra Paulus en Barnabas als goden — Paulus vereenzelvigden zij met Hermes en Barnabas met Zeus — omdat Paulus daar een kreupele had genezen. De priester van Zeus bracht zelfs stieren en kransen om samen met de schare slachtoffers te brengen (Hand. 14:8-13). Twee oude inscripties die in 1909 in de omgeving van Lystra zijn ontdekt, getuigen ervan dat deze twee goden in die stad werden vereerd. Op een van de inscripties wordt over de „priesters van Zeus” gesproken en op de andere wordt de „Allergrootste Hermes” en de „zonnegod Zeus” vermeld.