URIA
(Uria) [vlam van Jah, of: mijn licht is Jah].
De Hethitische echtgenoot van Bathseba. Uria was een van Davids buitenlandse krijgslieden (2 Sam. 23:39; 1 Kron. 11:41). Zijn woorden, zijn gedrag, zijn huwelijk met een jodin en het feit dat hij in Jeruzalem dicht bij het paleis van de koning woonde — dat alles doet vermoeden dat hij tot de aanbidding van Jehovah God was overgegaan en een besneden proseliet was. — 2 Sam. 11:3, 6-11.
Terwijl Uria in de veldslag bij Rabba tegen Ammon streed, pleegde David overspel met Uria’s vrouw Bathseba, iets wat Uria nooit te weten is gekomen. Daarop liet David Uria naar Jeruzalem komen en vroeg hem of de oorlog voorspoedig verliep, waarop hij hem naar huis stuurde zodat later aangenomen zou worden dat Bathseba’s kind van Uria zelf was. Uria weigerde echter naar huis te gaan omdat het leger te velde was (Deut. 23:9-11; vergelijk 1 Samuël 21:5). Zelfs toen David hem dronken maakte, weigerde hij thuis te gaan slapen (2 Sam. 11:1-13). David beging daarop een tweede misdaad tegen Uria, want hij stuurde hem naar het front terug met een brief waarin David zelf Joab bevel gaf ervoor te zorgen dat Uria in de strijd de dood zou vinden. — 2 Sam. 11:14-26.