ZWEER.
Een open wond op het lichaam die geen directe kwetsuur is, hoewel het soort dat met ontsteking gepaard gaat, gewoonlijk wel het gevolg is van onbeduidend letsel, zoals een schaafwondje. Zweren zijn hetzij uitwendig of inwendig en ontwikkelen zich op de huid of op slijmvliezen. Dikwijls scheiden ze etter af en veroorzaken voortschrijdende ontbinding en versterf van weefsel in het aangetaste gebied. Ontstoken zweren, die met een brandend pijngevoel gepaard gaan, ontstaan dikwijls aan het onderbeen.
In Hosea’s profetie werd de toestand waarin Efraïm (Israël) zich bevond, afgeschilderd als een ziekte en de situatie van Juda als een „zweer”, omstandigheden die het gevolg waren van hun kwaaddoen en het daaruit voortvloeiende verlies van Gods gunst. Maar in plaats van bescherming tegen hun vijanden te zoeken bij Jehovah, wendden zij zich tevergeefs om hulp tot de koning van Assyrië, die hen niet van hun ’zwerende’ toestand kon genezen (Hos. 5:13). Over het volk van Sion werd later, toen het in Babylonische ballingschap was gevoerd, gezegd dat het door een zweer was aangetast. — Jer. 30:12-15, 17; vergelijk Lukas 16:20, 21; Openbaring 16:2, 10, 11.