TIRZA
(Tirza) [aangenaamheid, lieflijkheid].
Een stad in Samaria, waarvan de precieze ligging onzeker is. Archeologische onderzoekingen schijnen te pleiten voor Tell el-Far‛ah, dat ongeveer 11 km ten N.O. van Nabloes ligt (dat met het oude Sichem in verband wordt gebracht).
Onder Jozua versloegen de Israëlieten de koning van Tirza (Joz. 12:7, 24). Eeuwen later verlegde Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke koninkrijk, zijn residentie naar Tirza. (Vergelijk 1 Koningen 12:25; 14:17.) Klaarblijkelijk bleef Tirza tijdens de regering van Jerobeams zoon Nadab (1 Kon. 15:25-28) en diens opvolgers Baësa, Ela en Zimri de hoofdstad van het noordelijke koninkrijk (1 Kon. 15:33; 16:5, 6, 8, 15). De laatste van deze koningen, Zimri, pleegde zelfmoord in Tirza toen Omri de stad innam (1 Kon. 16:17-20). Nadat Omri zes jaar in Tirza had geregeerd, bouwde hij Samaria, dat hij tot zijn hoofdstad maakte (1 Kon. 16:23, 24, 29). Meer dan 150 jaar later vermoordde Menahem, een inwoner van Tirza, Sallum en werd koning in Samaria. — 2 Kon. 15:14, 17.