TEBETH
(Tebeth).
Na de ballingschap de naam van de tiende maanmaand van de joodse godsdienstige kalender, maar de vierde maand van de burgerlijke kalender (Esth. 2:16). Ze komt overeen met december/januari. Gewoonlijk wordt ze eenvoudig als de „tiende maand” aangeduid. — 1 Kron. 27:13.
Men neemt aan dat de naam „Tebeth” „verzinken” of „inzinken” betekent, wat betrekking kan hebben op de modder die in deze wintermaand als gevolg van de zware regens ontstaat.
Op de tiende dag van de maand Tebeth in 609 v.G.T. begon Nebukadnezar met de belegering van de stad Jeruzalem (2 Kon. 25:1; Jer. 39:1; 52:4; Ezech. 24:1, 2). De in Zacharia 8:19 genoemde „vasten van de tiende maand” werd daarna door de joden ter gedachtenis aan deze gebeurtenis gehouden.