TALENT.
De grootste Hebreeuwse gewichts- en munteenheid (Ex. 38:29; 2 Sam. 12:30; 1 Kon. 10:10; 2 Kon. 23:33; 1 Kron. 29:7; 2 Kron. 36:3; Ezra 8:26). Rekenen wij een talent op 60 minen of 3000 sikkelen (Ex. 38:25, 26; zie MINE), dan woog een talent ongeveer 34 kg. Daar in de 1ste eeuw G.T. één mine overeenkwam met 100 Griekse drachmen, woog een talent van 60 minen derhalve minder (ca. 20 kg.) dan in de periode dat de Hebreeuwse Geschriften op schrift werden gesteld.
Of wij nu de oude Hebreeuwse of de latere Griekse standaard aanhouden, de symbolische hagelstenen uit Openbaring 16:21 die één talent wogen, zouden in beide gevallen uitzonderlijk groot zijn.