SYCOMOOR
[Hebreeuws: sja·qamʹ of sjiq·mahʹ].
Deze in de Hebreeuwse Geschriften genoemde boom is geen familie van de Noordamerikaanse sycomoor, die een soort plataan is, en ook niet van de Europese sycomoor of esdoorn. Het is klaarblijkelijk dezelfde soort als de „moerbeivijgeboom” uit Lukas 19:4. Deze boom (Ficus sycomorus) heeft net zulke vruchten als de gewone vijgeboom, maar zijn bladeren lijken op die van de moerbeiboom. Hij wordt 9 m of meer hoog, is sterk en kan enkele honderden jaren oud worden. In tegenstelling tot de gewone vijgeboom is de sycomoor of moerbeivijgeboom een altijdgroene boom. Hoewel zijn hartvormige bladeren kleiner zijn dan die van de vijgeboom, spreiden de dicht op elkaar zittende bladeren zich wijd uit, zodat de boom zeer schaduwrijk is. Hij werd om die reden dikwijls langs wegen geplant. De korte, dikke stam vertakt zich al spoedig, zodat de onderste grote takken zich laag boven de grond bevinden, en daarom was deze boom langs de weg voor een kleine man als Zacheüs geschikt om erin te klimmen teneinde Jezus te kunnen zien. — Luk. 19:2-4.
De vijgen groeien in dikke trossen en zijn kleiner en minder van kwaliteit dan die van de gewone vijgeboom. Tegenwoordig is het bij Egyptische kwekers van sycomoren of moerbeivijgebomen gebruikelijk de onrijpe vrucht met een nagel of ander scherp voorwerp in te ritsen teneinde het rijpingsproces te versnellen. Volgens Harold en Alma Moldenke in hun boek Plants of the Bible (blz. 108) zou de vrucht anders „een hoeveelheid waterig sap afscheiden en niet rijp worden”. Dit werpt enig licht op het beroep van de profeet Amos, die zichzelf beschrijft als een „veehoeder en een kerver van vijgen van sycomoorbomen”. — Amos 7:14.
Behalve in het Jordaandal (Luk. 19:1, 4) en rondom Tekoa (Amos 1:1; 7:14) kwamen sycomoorbomen vooral overvloedig voor in het laagland van de Sjefela (1 Kon. 10:27; 2 Kron. 1:15; 9:27), en hoewel hun vrucht niet de kwaliteit van de vrucht van de gewone vijgeboom had, achtte koning David ze waardevol genoeg om de bosjes in de Sjefela aan de hoede van een bestuursambtenaar toe te vertrouwen (1 Kron. 27:28). Klaarblijkelijk kwamen er ten tijde van de tien plagen volop sycomoren of moerbeivijgebomen in Egypte voor, en ze vormen daar nog tot op de dag van heden een bron van voedsel (Ps. 78:47). Het hout is ietwat zacht en poreus en veel minder van kwaliteit dan dat van de ceder, maar het was erg duurzaam en werd veel als bouwmateriaal gebruikt (Jes. 9:10). In Egyptische grafkamers zijn mummiekisten van sycomorehout gevonden die na zo’n 3000 jaar nog in uitstekende staat verkeren.