STENIGEN.
Onder de Wet werd een kwaaddoener die de doodstraf verdiende, gewoonlijk met stenen geworpen totdat hij stierf (Lev. 20:2). Zo werd ’het kwaad uit hun midden weggedaan’. Heel Israël zou van de straf horen, en dit zou hun vrees inboezemen voor zulk kwaaddoen (Deut. 13:5, 10, 11; 22:22-24). Door een boosdoener te stenigen, toonden zij dat zij ijver voor de ware aanbidding hadden, zich erom bekommerden dat er geen smaad op Gods naam kwam en het verlangen hadden de gemeente rein te houden.
Voordat een kwaaddoener werd gestenigd, moesten op zijn minst twee getuigen een eensluidende verklaring tegen hem afleggen, en daarna wierpen zij de eerste stenen (Lev. 24:14; Deut. 17:6, 7). Het vooruitzicht om zelf de oordeelsvoltrekker te moeten zijn, zorgde ervoor dat iemand grondig nadacht voordat hij een getuigenis aflegde en was ongetwijfeld een afschrikwekkend middel tegen het afleggen van een vals getuigenis, wat, indien het werd ontdekt, de leugenachtige getuige zelf het leven zou kosten. — Deut. 19:18-20.
Kennelijk vond het stenigen gewoonlijk buiten de stad plaats (Num. 15:34, 35; 1 Kon. 21:13; vergelijk Deuteronomium 22:21). Daarna kon het lichaam ter waarschuwing aan een paal gehangen worden, maar slechts tot zonsondergang. Het werd nog op dezelfde dag begraven. — Deut. 21:21-23.
Jezus noemde Jeruzalem een stad die „de profeten doodt en de tot [haar] uitgezondenen stenigt” (Matth. 23:37; vergelijk Hebreeën 11:37). Christus zelf werd met steniging bedreigd (Joh. 8:59; 10:31-39; 11:8). Stefanus werd op deze wijze gedood (Hand. 7:58-60). In Lystra „stenigden [fanatieke joden] Paulus en sleepten hem buiten de stad in de mening dat hij dood was”. — Hand. 14:19; vergelijk 2 Korinthiërs 11:25.
Zie voor overtredingen waarop de doodstraf door steniging stond, onder MISDAAD EN STRAF.