HANDTEKENING.
In zijn onschuldsbetuiging ten overstaan van zijn drie „metgezellen”, die hem voor de voeten wierpen dat hij lijden onderging omdat hij tegen God gezondigd had, voerde Job bewijzen en argumenten ter staving van zijn onberispelijkheid aan. Hij deed een beroep op God om zijn zaak aan te horen en hem antwoord te geven, toen hij zei: „O had ik toch maar iemand die naar mij luisterde, dat naar mijn handtekening de Almachtige zelf mij zou antwoorden! Of dat de persoon in het rechtsgeding met mij, maar een document had geschreven!” (Job 31:35) Job gaf hier te kennen dat hij bereid was zijn zaak aan God voor te leggen en er ter bevestiging zijn eigen handtekening onder te zetten. Het woord „handtekening” is een vertaling van het Hebreeuwse woord taw, dat tevens de naam van de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet is.
Een handtekening was klaarblijkelijk een identificerend kenteken (vergelijk het gebruik van taw in Ezechiël 9:4, 6), en kan soms de afdruk van iemands zegelring of rolzegel zijn geweest, of een geschreven teken dat kenmerkend was voor de betreffende persoon of dat hij als identificatie had gekozen. De apostel Paulus schreef aan het einde van zijn brieven een groet in zijn eigen handschrift als „teken” dat de brieven van hem afkomstig en authentiek waren. — 2 Thess. 3:17, 18.