SCHAAPSKOOI.
De omsloten ruimte waarin de schapen gewoonlijk voor de nacht werden ondergebracht om ze te beschermen tegen dieven en roofdieren. Hoewel men ook grotten en andere natuurlijke schuilplaatsen gebruikte, waren schaapskooien dikwijls ommuurde vaste plaatsen (Num. 32:16; 1 Sam. 24:3; Zef. 2:6) met een toegangsdeur (Joh. 10:1). Net zoals dat in deze tijd het geval is, kunnen ook vroeger de stenen muren van boven met takken van doornige planten overwoekerd geweest zijn. Binnen de omheinde ruimte kunnen bovendien lage hokken hebben gestaan, waar de schapen bij slecht weer konden schuilen. Hoewel soms de kudden van verscheidene herders in dezelfde schaapskooi werden ondergebracht, was er geen gevaar dat ze door elkaar zouden raken. De schapen luisterden alleen naar de stem van hun eigen herder. Bij de deur deed een deurwachter dienst, die ’s morgens voor de herders opendeed. — Joh. 10:2-4.