SERAJA
(Seraja) [Jehovah is heerser, vorst; Jehovah heeft gestreden (volhard)].
1. De kwartiermeester van koning Zedekia; zoon van Neria en broer van Baruch (Jer. 32:12; 51:59). In het vierde jaar van Zedekia, 614 v.G.T., vergezelde Seraja Zedekia naar Babylon. Jeremia had Seraja een boekrol gegeven die profetische veroordelingen van Babylon bevatte en hem opgedragen de rol aan de oever van de Eufraat voor te lezen, er vervolgens een steen aan te binden en ze in de rivier te werpen, waardoor de eeuwige ondergang van Babylon aanschouwelijk werd voorgesteld (Jer. 51:59-64). Waarschijnlijk deelde Seraja de Israëlieten die reeds in Babylon gevangen zaten, enkele gedachten uit de profetie mee.
2. De overpriester in de tijd dat Babylon Jeruzalem in 607 v.G.T. verwoestte. Hoewel Seraja op bevel van Nebukadnezar ter dood werd gebracht, werd zijn zoon Jozadak gespaard en als gevangene naar Babylon gevoerd (2 Kon. 25:18-21; Jer. 52:24-27). Via Seraja’s zoon Jozadak werd de hogepriesterlijke lijn van Aäron voortgezet, en toen de joden werden vrijgelaten en terugkeerden, bekleedde Jozadaks zoon Jesua het ambt van hogepriester (1 Kron. 6:14, 15; Ezra 3:2). Seraja wordt ook wel de „vader” van Ezra genoemd, maar tussen Seraja’s dood en Ezra’s terugkeer lag 139 jaar. Bijgevolg moeten er minstens twee niet-genoemde generaties tussen hebben gelegen, wat in bijbelse geslachtsregisters wel vaker voorkomt. — Ezra 7:1.
3. Een van de oversten der strijdkrachten die na de algemene deportatie naar Babylon in Juda bleven; zoon van Tanchumeth. Seraja en de anderen die in rang aan hem gelijk waren, gaven hun steun aan Gedalja’s aanstelling als stadhouder, waarschuwden hem voor Ismaël, die hem naar het leven stond, en trachtten later Gedalja’s dood te wreken. Maar uit vrees voor de Babyloniërs leidden Seraja en de andere oversten de overgebleven joden naar Egypte. — 2 Kon. 25:23, 26; Jer. 40:8, 13-16; 41:11-18; 43:4-7.