ZEEMONSTER.
Dit is de gebruikelijke vertaling van het Hebreeuwse woord tan·ninʹ (tan·nimʹ in Ezechiël 29:3 en 32:2). Deze uitdrukking wordt weergegeven met „grote slang” (NW) als ze niet in verband met de zee of met water wordt gebruikt (Jer. 51:34), of als uit de context duidelijk blijkt dat het om een slang gaat (Ex. 7:9, 12; vergelijk Exodus 4:2, 3). Ongetwijfeld omvat de term tan·ninʹ verscheidene grote zeedieren (Gen. 1:21; Ps. 148:7), maar gewoonlijk wordt dit woord in figuurlijke zin gebruikt. Zo schijnt er op de vernietiging van Farao en zijn menigte gezinspeeld te worden met de zinsnede: „Gij [Jehovah] hebt de koppen der zeemonsters in de wateren gebroken” (Ps. 74:13). In Jesaja 51:9 wordt de uitdrukking „zeemonster” parallel gebruikt met Rahab (Egypte; vergelijk Jesaja 30:7) en kan daarom een aanduiding zijn voor Egypte, zoals waarschijnlijk ook het geval is in Jesaja 27:1 (vergelijk Jesaja 27:12, 13), of ze heeft betrekking op Farao, zoals in Ezechiël 29:3 en 32:2. De getrouwe Job vroeg of hij een „zeemonster” was waarover een wacht gezet diende te worden. — Job 7:12; zie LEVÍATHAN.