SCHORPIOEN.
Een klein dier (een spinachtige, die door biologen niet onder de insekten wordt gerekend) dat in dezelfde groep als spinnen, teken en mijten wordt ingedeeld. In tegenstelling tot andere spinachtigen legt de vrouwtjesschorpioen echter geen eieren, maar brengt levende jongen ter wereld. Onmiddellijk na de geboorte klimmen de jongen op de rug van de moeder en houden zich met hun scharen aan haar lichaam vast. Tot aan de eerste vervelling leven ze van opgeslagen energie; daarna vallen ze naar beneden en gaan hun eigen leven leiden.
De schorpioen is uitgerust met acht looppoten, een lange, smalle, gelede staart die eindigt in een gebogen gifstekel, en een tweetal scharen die lijken op die van een kreeft en die met uiterst gevoelige haren bedekt zijn. De gewoonlijk hoog opgerichte en boven de rug van het dier naar voren gebogen staart beweegt zich in alle richtingen. De schorpioen gebruikt zijn stekel ter verdediging en ook om zijn prooi te veroveren. Het slachtoffer wordt met de scharen gegrepen en dan meestal met een steek gedood. Aangezien de schorpioen een nachtdier is, verbergt hij zich overdag onder stenen, in rots- en muurspleten, en zelfs onder matrassen en bedden. ’s Nachts komt hij te voorschijn om op spinnen en insekten te jagen.
Van de verscheidene honderden schorpioensoorten, die over het algemeen een lengte van 2,5 tot 20 cm hebben, komen ongeveer 12 soorten in Palestina en Syrië voor. Hoewel de steek van de schorpioen voor mensen gewoonlijk niet dodelijk is, bestaan er verscheidene soorten waarvan het gif naar verhouding krachtiger is dan dat van vele gevaarlijke woestijnslangen. De gele schorpioen bijvoorbeeld, die in bijbelse landen voorkomt, wordt door sommigen als de gevaarlijkste schorpioen ter wereld beschouwd. Honderden mensen, onder wie vele kinderen, zijn aan de gevolgen van zijn steek gestorven. In Openbaring 9:3, 5, 10 wordt gesproken over de hevige pijn die de steek van een schorpioen veroorzaakt, want daar worden symbolische sprinkhanen beschreven die „dezelfde macht als de schorpioenen der aarde hebben” en die het vermogen bezitten om mensen te pijnigen net als „een schorpioen, wanneer hij een mens slaat”.
Schorpioenen kwamen veelvuldig voor in de wildernis van Judea en op het Sinaï-schiereiland met zijn „vrees inboezemende wildernis” (Deut. 8:15). Een helling aan de zuidoostgrens van Juda, ten Z.W. van de zuidelijke punt van de Dode Zee, werd zelfs Akrabbim (wat „schorpioenen” betekent) genoemd. — Num. 34:4; Joz. 15:3; Recht. 1:36.
Om te illustreren dat zijn hemelse Vader heilige geest zou geven aan degenen die hem erom vragen, wees Jezus erop dat een menselijke vader zijn zoon geen schorpioen zou geven wanneer hij om een ei vroeg (Luk. 11:12, 13). Jezus gaf de 70 discipelen die hij uitzond, autoriteit over schadelijke dingen, die werden afgebeeld door slangen en schorpioenen. — Luk. 10:19; vergelijk Ezechiël 2:6.