REDELIJKHEID.
Het woord „redelijk” brengt heel goed de gedachte van het Griekse woord e·pi·eiʹkes over, waarvan de betekenis is omschreven als „betamelijk, gepast; bijgevolg: onpartijdig, billijk, gematigd, toegevend, waarbij men niet op de letter van de wet staat; er wordt een dusdanige consideratie door te kennen gegeven dat men ’de feiten van een geval menselijk en redelijk’ beziet”. — An Expository Dictionary of New Testament Words (Deel II, blz. 144, 145) door W. E. Vine.
Redelijkheid is een onderscheidend kenmerk van de hemelse wijsheid (Jak. 3:17). Het is een hoedanigheid die iemand die als opziener in een christelijke gemeente wordt aangesteld, moet bezitten (1 Tim. 3:2, 3). Zo iemand zou zowel ten aanzien van zichzelf als in zijn bemoeienissen met anderen, alsook wat zijn kijk op problemen betreft, redelijk moeten zijn. Christenen in het algemeen worden er eveneens toe aangemoedigd redelijk te zijn. De apostel Paulus gaf de Filippenzen de raad: „Laat uw redelijkheid aan alle mensen bekend worden” (Fil. 4:5). En Titus kreeg de opdracht om de christenen op Kreta eraan te herinneren „redelijk te zijn” (Tit. 3:1, 2). Deze vermaning was bijzonder passend, aangezien de bewoners van Kreta over het algemeen de reputatie hadden leugenaars, schadelijke wilde beesten en werkeloze veelvraten te zijn. — Tit. 1:12.
In 1 Petrus 2:18 worden huisknechten vermaand „met alle verschuldigde vrees aan hun eigenaars onderworpen [te] zijn, niet alleen aan de goede en redelijke, maar ook aan hen die moeilijk te behagen zijn”.