SPREEKWOORD, SPREUK.
Men neemt algemeen aan dat de Hebreeuwse uitdrukking die met „spreekwoord” of „spreuk” is vertaald, afgeleid is van een grondwoord dat „gelijk zijn” betekent, en veel spreekwoorden bevatten inderdaad gelijkenissen of vergelijkingen. Enkele geleerden leggen verband tussen de uitdrukking „spreekwoord” en het werkwoord „heersen”; de term kon soms dus opgevat worden als het woord van een heerser, een gezaghebbende uitspraak of een uitspraak waaruit een superieure denkwijze blijkt. Deze zienswijze stemt overeen met het feit dat koning Salomo, die bekendstond om zijn wijsheid, 3000 spreuken sprak, waarvan hij er ook heel wat optekende. — 1 Kon. 4:32.
Onder de Israëlieten bestonden heel wat populaire of veelgebezigde uitdrukkingen die zeer betekenisvol waren omdat ze ontleend waren aan hun levensomstandigheden. Deze spreekwoorden werden gewoonlijk kernachtig weergegeven (1 Sam. 10:12). Ze brachten echter niet altijd de juiste zienswijze tot uitdrukking, en tegen enkele verzette Jehovah zich zelfs uitdrukkelijk. — Ezech. 12:22, 23; 18:2, 3.
Enkele spreuken werden algemene zegswijzen waarmee men bepaalde personen bespotte of belachelijk maakte (Hab. 2:6). In zulke gevallen werd zelfs het voorwerp van de spot — of het nu om een persoon of om een levenloos ding ging — als een „spreekwoord” aangeduid.
Niet alle spreuken werden in een of twee korte, pittige zinnen weergegeven. In Jesaja hoofdstuk 14 is een omvangrijkere spreuk opgetekend, die op aanschouwelijke wijze en met treffende vergelijkingen de rampzalige gevolgen van de trots van de koning van Babylon beschrijft. Met bijtend sarcasme wordt degene die voorgaf de „schijnende, zoon des dageraads”, te zijn, met spot overladen.
Indien de gelijkenis of vergelijking die in een spreekwoord was vervat, aanvankelijk wat duister of raadselachtig scheen, kon het spreekwoord ook een raadsel worden genoemd (Ps. 78:2). Dat gold voor datgene wat Ezechiël onder inspiratie aan Israël moest vertellen en waarin hij de handelwijze van de natie tegenover Babylon en Egypte vergeleek met een door een arend geplante wijnstok die zich later hongerig naar een andere arend uitstrekte. — Ezech. 17:2-18.
Sommige spreukachtige redes, zoals die van Job, werden in poëtische stijl opgetekend (Job 27:1; 29:1). De gedachten die Job onder inspiratie uitte, werden niet in de voor de meeste spreuken of spreekwoorden karakteristieke bondige stijl opgetekend, maar werden in de vorm gegoten van uiterst leerzame gedichten vol zinnebeeldige uitdrukkingen.
God bracht ook Bileam ertoe een reeks spreukachtige redes te uiten die eveneens in poëtische vorm werden opgetekend (Num. 23:7, 18; 24:3, 15, 20, 21, 23). In plaats van Israël in deze spreukachtige redes tot een voorwerp van spot te maken, ’zegende’ Bileam „hen tot het uiterste”, hoewel hij andere volken onheil aankondigde (Num. 23:11). Bileams uitspraken werden niet als spreukachtige redes aangemerkt omdat ze zo populair waren dat ze in het spraakgebruik werden opgenomen, en ook niet omdat het kernachtige uitspraken waren die levenswijsheden inhielden. Zijn uitspraken worden veeleer zo genoemd omdat de inhoud krachtig en rijk aan betekenis was en omdat hij in sommige van zijn uitspraken gebruik maakte van een verscheidenheid van gelijkenissen of vergelijkingen.