STEKELVARKEN.
Een groot knaagdier, gemakkelijk te herkennen aan zijn beschermende stekels of pennen. Er heerst nogal onenigheid over de exacte betekenis van het Hebreeuwse woord qip·podhʹ. Ondanks deze onzekerheid bestaat er echter goede reden om qip·podhʹ consequent met „stekelvarken” of „egel” te vertalen en niet met „roerdomp”. In de meeste oudere en moderne lexicons wordt in de regel „egel” of „stekelvarken” als vertaling van qip·podhʹ aangegeven. Deze weergaven worden ondersteund door de Septuaginta en de Vulgaat, alsook door de etymologie van het Hebreeuws en van verwante talen als het Aramees, Arabisch en Ethiopisch. Dat zowel het stekelvarken als de egel zich wanneer er gevaar dreigt oprollen, stemt overeen met het grondwoord (dat „samentrekken of oprollen” betekent) waar qip·podhʹ van afgeleid schijnt te zijn.
Op grond van conclusies die men trekt uit Jesaja 14:23 en Zefanja 2:14, waar over de verwoesting van Babylon en Nineve wordt gesproken, opperen sommigen het bezwaar dat het bedoelde dier geen stekelvarken (of egel) geweest kan zijn, omdat dit dier zich niet in rietpoelen van water ophoudt en omdat het niet kan zingen of op zuilen kan klimmen. Volgens Jesaja 14:23 zouden echter niet de rietpoelen tot een bezitting van stekelvarkens worden, maar Babylon. Het is interessant dat iemand die de ruïnes van Babylon heeft onderzocht, berichtte „grote hoeveelheden stekels van stekelvarkens” te hebben gevonden. Evenzo kan de verwijzing naar een stem die in het verwoeste Nineve „in het venster [zal] blijven zingen”, op elke willekeurige in een verlaten venster zittende vogel slaan, of zelfs op het geruis van de wind, en hoeft ze niet op het stekelvarken te slaan (Zef. 2:14). Wat het stekelvarken en het ’overnachten tussen de zuilenkapitelen [het bovenste gedeelte van de zuilen]’ betreft, dient men te bedenken dat er een beeld geschetst wordt van een stad die in puin ligt. Het is dus heel goed mogelijk dat er sprake is van omgevallen zuilen.