FEBE
(Fe̱be) [stralend].
Een christelijke zuster in de eerste-eeuwse gemeente Kenchrea, die door Paulus in zijn brief aan de christenen te Rome wordt ’aanbevolen’. Hij dringt er bij hen op aan haar elke nodige hulp te bieden omdat zij „heeft bewezen een verdedigster van velen, ja, van mijzelf te zijn” (Rom. 16:1, 2). Misschien heeft Febe Paulus’ brief zelf naar Rome gebracht of anders de brenger van de brief vergezeld.
Paulus noemt Febe ’een dienares van de gemeente te Kenchrea’. Dit doet de vraag rijzen of Paulus de term di·aʹko·nos („dienaar”) hier in bestuurlijke zin gebruikt, zoals in 1 Timotheüs 3:8 en Filippenzen 1:1, of eenvoudig in algemene zin. Sommige vertalers beschouwen de term in officiële zin en geven die derhalve weer met „diakones” (LV, PC, WV). De Engelse vertaling van Goodspeed beschouwt het Griekse woord in algemene zin en vertaalt het met „helpster”. — Zie ook de voetnoot in het Nieuwe Testament bewerkt door H. Bakels.
De grondgedachte die door di·aʹko·nos, en ook door het werkwoord di·a·koʹne·o, wordt overgebracht, is het verrichten van persoonlijke dienst voor een ander, zoals het bedienen aan tafel (Joh. 2:5, 9; Luk. 12:37; 17:7, 8; 22:27). Over vrouwen wordt een aantal malen gezegd dat zij Jezus in deze algemene zin dienden, ongetwijfeld door voedsel klaar te maken en op te dienen, misschien voor kleding te zorgen en soortgelijke persoonlijke diensten te verrichten (Matth. 27:55; Mark. 15:41; Luk. 8:3; Joh. 12:2). In de gelijkenis van de schapen en de bokken gebruikt Mattheüs di·a·koʹne·o niet alleen voor het verschaffen van eten en drinken, maar ook voor activiteiten zoals het zorgen voor kleding en het bezoeken van iemand die ziek is of in de gevangenis zit (Matth. 25:44). Naar het schijnt, was Febe een „dienares” in deze fundamentele zin.
In Kenchrea, dat een belangrijke haven van de vermaarde stad Korinthe was, zouden zich vele gelegenheden voordoen om aan personen die daar op doorreis kwamen, onder wie de apostel Paulus, gastvrijheid te verlenen (Hand. 18:18). Sommigen zijn van mening dat Febe zich in deze zin als „een verdedigster van velen” verdienstelijk maakte. Niettemin betekent het met „verdedigster” vertaalde woord (proʹsta·tis) in de grond der zaak „beschermster” of „ondersteunster”, zodat het niet louter hartelijkheid inhoudt, maar ook het te hulp komen van anderen die in nood verkeren. Het kan ook weergegeven worden met „patrones”. Dat Febe vrij was om te reizen en een in het oog vallende dienst in de gemeente te verrichten, duidt er wellicht op dat zij weduwe en mogelijk een welgestelde vrouw was. Zij heeft dus misschien haar invloed in de gemeenschap kunnen aanwenden ten behoeve van christenen die ten onrechte werden beschuldigd en hen op deze wijze verdedigd; of zij kan hun in tijd van gevaar ook toevlucht hebben verschaft en zo als beschermster zijn opgetreden. Het verslag vermeldt geen bijzonderheden.