PEKOD
(Pe̱kod) [een omzien naar; bezoeking; straf].
Naar het schijnt, de naam van een streek in de omgeving van Babylon. Mannen van Pekod moeten tot de strijdkrachten hebben behoord die Jehovah’s strafgericht aan het ontrouwe Jeruzalem zouden voltrekken (Ezech. 23:4, 22-26). Later moest Pekod zelf aan de vernietiging worden prijsgegeven. — Jer. 50:21.
Gewoonlijk wordt Pekod met de Poeqoedoe van de Assyrische inscripties geïdentificeerd. De „Nimroed-inscriptie” van Tiglatpileser III (Tiglath-Pileser) geeft te kennen dat Pekod bij het Assyrische Rijk werd ingelijfd en in de omgeving van Elam lag. Wanneer de identificatie met Poeqoedoe dus juist is, schijnt Pekod ten O. van de Tigris en ten N. van de samenvloeiing van de Tigris en de Kercha te hebben gelegen.
Sommigen hebben geopperd dat de in Jeremia 50:21 genoemde aanduiding „Pekod” (evenals Merathaïm) mogelijk een poëtische naam voor Babylon is. In dat geval zou deze tekst door een woordspeling erop duiden dat de inwoners van degene die ’straft’, d.w.z. de inwoners van Babylon, zelf afgemaakt zouden worden. Het is opmerkelijk dat een inscriptie uit de tijd van Nebukadnezar laat zien dat Poeqoedoe onder de heerschappij van Babylon stond. Toen Babylon derhalve voor de Meden en de Perzen viel, moet dat ook Pekod hebben getroffen.