PATMOS
(Pa̱tmos).
Een eiland waarheen de apostel Johannes werd verbannen „wegens het spreken over God en het getuigenis afleggen van Jezus” (Openb. 1:9). Daar ontving hij de Openbaring. Uit oude overleveringen blijkt dat Johannes in het 15de jaar van de regering van Domitianus (ca. 95 G.T.) naar het eiland Patmos werd verbannen en na de dood van die regeerder in vrijheid werd gesteld.
Het eiland Patmos bevindt zich in de Ikarische Zee (een deel van de Egeïsche Zee), zo’n 55 km ten W. van Klein-Azië, en ligt dus nog geen 240 km van de zeven gemeenten waaraan in Openbaring hoofdstuk 2 en 3 specifiek een boodschap wordt gericht. Dit kleine vulkanische eiland (ongeveer 14 km lang en 8 km breed) heeft een zeer onregelmatige kustlijn en is tamelijk kaal en rotsachtig. Thans wordt er echter tarwe verbouwd en worden er olijven en druiven geoogst. Patmos en ook andere Egeïsche eilanden werden vermoedelijk wegens hun geïsoleerde ligging als strafeiland gebruikt.