PASHUR
(Pa̱shur) [wat over is rondom].
1. Een vorst in de delegatie die door koning Zedekia naar Jeremia werd gezonden om hem over de toekomst van Jeruzalem te raadplegen (Jer. 21:1, 2). Pashur vroeg de koning ook toestemming Jeremia in de regenput te werpen (Jer. 38:1, 4, 6). In deze beide schriftplaatsen wordt Pashur „de zoon van Malkia” genoemd. Het geslachtsregister van de familie der priesters die uit de Babylonische ballingschap waren teruggekeerd, laat een soortgelijke schakel zien: „Pashur, de zoon van Malkia” (1 Kron. 9:12; Neh. 11:12). Indien de vorst Pashur werkelijk een priester was, was hij wellicht degene aan wie de „zonen van Pashur” hun naam ontleenden. — Ezra 2:38.
2. Een priester, „de zoon [of: nakomeling] van Immer, . . . de voornaamste gemachtigde in het huis van Jehovah”. Vertoornd over Jeremia’s profetieën sloeg Pashur Jeremia, sloot hem in het blok en liet hem de volgende dag eruit. Dientengevolge voorzei Jehovah bij monde van Jeremia dat Pashur in gevangenschap in Babylon zou sterven en veranderde bijgevolg zijn naam Pashur in „Schrik rondom” (Hebreeuws: Ma·ghōrʹ mis·sa·vivʹ) (Jer. 20:1-6), een uitdrukking die in dit bijbelboek verschillende malen voorkomt. — Jer. 6:25; 20:3, 10; 46:5; 49:29.