PARK
[Hebreeuws: par·desʹ].
Dit woord komt slechts driemaal in de Hebreeuwse Geschriften voor en is volgens sommigen ontleend aan het Perzische woord pairidaeza (waarvan ons woord „paradijs” is afgeleid). (Zie echter PARADIJS.) Volgens M’Clintock en Strongs Cyclopædia (Deel VII, blz. 652) gebruikten Griekse schrijvers uit de oudheid de Perzische term in de betekenis van „een groot stuk grond, omgeven door een sterke omheining of muur, met een overvloed van bomen, struiken en gekweekte planten, waarin de prachtigste dieren een zekere mate van vrijheid genoten, hetgeen ervan afhing of ze wild of vreedzaam waren”.[2] De Griekse vorm van het woord (pa·ra·deiʹsos) werd door de vertalers van de Septuaginta gebruikt op alle plaatsen die betrekking hebben op de tuin van Eden.
Tot enkele van Salomo’s grote werken behoorden „tuinen en parken [„boomgaarden”, AV; Hebreeuws: par·de·simʹ]” waarin hij allerlei vruchtbomen plantte (Pred. 2:5). Hij gebruikt dezelfde term in zijn „subliemste lied” wanneer hij de woorden van de herder weergeeft die de huid van zijn beminde Sulammitische meisje beschrijft als een „paradijs van granaatappels, met de meest uitgelezen vruchten” (Hoogl. 1:1; 4:12, 13). Uit Nehemia 2:7, 8 blijkt dat in de tijd na de ballingschap Asaf door de Perzische koning was aangesteld als „de bewaker van het park dat de koning toebehoort”, en dat er toestemming moest worden gevraagd om in dit park bomen te kappen voor de wederopbouw van Jeruzalem.