OBED-EDOM
(O̱bed-E̱dom) [knecht van Edom].
Een Gathiet in wiens huis de ark van het verbond drie maanden heeft gestaan nadat ze bijna gekanteld was en Uzza daarbij de dood had gevonden. In de tijd dat de ark van het verbond zich daar bevond, zegende Jehovah Obed-Edom en zijn huisgezin. Toen David dit vernam, zag hij hierin een aanwijzing dat het Jehovah welgevallig zou zijn de heilige kist naar Jeruzalem te brengen. — 2 Sam. 6:10-12; 1 Kron. 13:13, 14; 15:25.
Obed-Edom was een „Gathiet”. Gewoonlijk werd met deze uitdrukking een Filistijn uit Gath aangeduid, maar ze kan ook betrekking hebben op iemand uit Gath-Rimmon, een levietenstad in Dan, die aan de zonen van Kehath was toebedeeld (Joz. 21:20, 23, 24). Aangezien de zorg voor de Ark aan Obed-Edom was toevertrouwd, moest hij een leviet zijn en derhalve een Gathiet uit Gath-Rimmon en niet een Filistijnse Gathiet uit Gath.
Onder de levitische musici en poortwachters uit de tijd van David komt een aantal keren de naam Obed-Edom voor. Er waren op zijn minst twee levieten met deze naam (1 Kron. 15:21, 24; 16:38), maar het is onmogelijk vast te stellen of de verschillende andere bijbelteksten betrekking hebben op deze beide levieten of op andere personen die in dezelfde tijd geleefd hebben.