NATHAN
(Na̱than) [geschenk; hij (God) heeft gegeven].
1. Een profeet van Jehovah tijdens Davids regering; mogelijk uit de stam Levi. Toen de koning aan Nathan zijn wens onthulde een tempel voor Jehovah’s aanbidding te bouwen, antwoordde de profeet: „Al wat in uw hart is — ga, doe het” (2 Sam. 7:1-3; 1 Kron. 17:1, 2). In die nacht liet Jehovah Nathan echter weten dat niet David een tempel zou bouwen, maar dat Jehovah voor David een bestendig huis wilde bouwen, en dat later een nakomeling van David het huis van Jehovah zou bouwen. Aldus gaf Jehovah via Nathan aan David te kennen dat hij voornemens was een verbond voor een koninkrijk te sluiten dat „tot onbepaalde tijd” in Davids geslachtslijn zou blijven. — 2 Sam. 7:4-17; 1 Kron. 17:3-15.
Later zond Jehovah Nathan naar David om hem de ernst van zijn zonde tegen Uria de Hethiet in verband met Bathseba onder de aandacht te brengen en de straf aan te kondigen die God hem hiervoor oplegde. Nathan deed dit op tactvolle, doch indringende wijze met gebruikmaking van een illustratie. David werd er daardoor toe gebracht onwetend en zonder persoonlijke vooringenomenheid zijn eigen oordeel over zo’n handelwijze uit te spreken. Toen deelde Nathan hem mee: „Gijzelf zijt die man!” en sprak Jehovah’s oordeel over David en zijn huis uit. — 2 Sam. 12:1-18; zie ook het opschrift van Psalm 51.
Na verloop van tijd baarde Bathseba David een tweede zoon, die Salomo werd genoemd. Jehovah had dit kind lief; daarom zond hij zijn profeet Nathan, die de jongen „om Jehovah’s wil” de naam Jedidja gaf, wat „bemind door Jah” betekent (2 Sam. 12:24, 25). Tijdens de laatste dagen van Davids leven, toen Adonia pogingen deed de troon te bemachtigen, trof Nathan passende maatregelen om de aangelegenheid onder Davids aandacht te brengen. Vervolgens had Nathan er een aandeel aan Salomo tot koning te zalven en hem in dit ambt te installeren. — 1 Kon. 1:5-40.
Het schijnt dat Nathan, samen met Gad, David raad gaf hoe hij de levieten, die muziekinstrumenten bespeelden, in het heiligdom moest opstellen (2 Kron. 29:25). Blijkbaar hebben Nathan en Gad de inlichtingen opgetekend die in de laatste hoofdstukken van Eén Samuël en in het hele boek Twee Samuël staan (1 Kron. 29:29). „In de woorden van de profeet Nathan” stonden ook „de aangelegenheden van Salomo” opgetekend. — 2 Kron. 9:29.
Het is mogelijk dat deze Nathan de vader was van Azarja en Zabud, die beiden een belangrijke positie bekleedden tijdens de regering van Salomo. Azarja was een vorst en de opziener over de gevolmachtigden, terwijl Zabud als priester diende en een goede vriend en raadgever van de koning was. — 1 Kon. 4:1, 5.
2. Een zoon van David die zijn vrouw Bathseba hem in Jeruzalem baarde (2 Sam. 5:13, 14; 1 Kron. 3:5). De natuurlijke geslachtslijn van de Messias liep van David via Nathan en zijn nakomelingen naar Jezus (blijkbaar via zijn moeder Maria) (Luk. 3:23, 31). In de profetie van Zacharia staat dat er ten tijde dat ’zij zullen opzien naar Degene die zij hebben doorstoken’, in het hele land in elke familie bitter gejammer en geweeklaag zal zijn, vooral in de familie van David, Levi en de Simeïeten alsook de „familie van het huis van Nathan” (Zach. 12:10-14). Indien de hier genoemde familie van het huis van Nathan uit Davids zoon voortsproot, dan zou ze een van de families van David zijn geweest. De jammerklacht zou dus van invloed zijn op families binnen families.