MUILBAND.
Een band of beugel die om de bek van een dier wordt gelegd om het bijten of het eten te beletten.
In het oude Palestina werden vaak runderen gebruikt wanneer grote hoeveelheden graan gedorst moesten worden. Allereerst werden de schoven losgemaakt en in een dikke laag over de vastgestampte oppervlakte van de dorsvloer uitgespreid. Vervolgens werd het graan door een of meer dieren met hun hoeven getreden of werd het gedorst doordat er een dorsslede of ander werktuig overheen werd getrokken. De Mozaïsche wet gebood: „Gij moogt een stier bij het dorsen niet muilbanden” (Deut. 25:4). Hij mocht dus niet door de wens iets van het graan te eten, dat hij onder aanwending van zijn kracht dorste, gekweld worden. (Vergelijk Spreuken 12:10.) Het in Deuteronomium 25:4 tot uitdrukking komende beginsel kan ook op menselijke werkers worden toegepast. — 1 Kor. 9:8-14; 1 Tim. 5:17, 18.