Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1083-1084
  • Molen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Molen
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Molen
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Handmolen
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
  • Maalsteen
    Verklarende woordenlijst
  • Molens die brood op tafel brengen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1083-1084

MOLEN.

Een eenvoudig werktuig dat over het algemeen uit twee op elkaar geplaatste ronde stenen bestond, waartussen verscheidene gedorste eetbare graansoorten tot meel werden gemalen. Men kon graan met een stamper in een vijzel fijnstampen, het met behulp van een steen op een andere, platte onderste steen fijnwrijven of het met een handmolen malen — de methode die in de meeste huizen in het oude Palestina werd gebruikt. Zulke werktuigen gebruikte men reeds in de tijd van de patriarchen, want Abrahams vrouw Sara maakte ronde koeken van „meelbloem” (Gen. 18:6). In de wildernis maalden de Israëlieten het door God verschafte manna „in handmolens of [men] stampte het fijn in een vijzel”. — Num. 11:7, 8.

Brood werd in de regel iedere dag gebakken en gewoonlijk bezat elk gezin zijn eigen handmolen. Het tot meel vermalen van graan was doorgaans een dagelijks terugkerend werk voor de vrouwen in het huisgezin (Matth. 24:41; Job 31:10; Ex. 11:5; Jes. 47:1, 2). Zij stonden vroeg in de morgen op om het benodigde meel voor het brood van die dag klaar te maken. In de bijbel wordt het geluid van handmolens als een zinnebeeld van normale, vredige toestanden gebruikt. Omgekeerd was het ontbreken van „het geluid van de handmolen” een teken van verlatenheid en verwoesting. — Jer. 25:10, 11; Openb. 18:21, 22; vergelijk Prediker 12:3, 4.

Evenals de huidige handmolens in het Midden-Oosten, bestond ook de in de oudheid gebruikte handmolen uit twee ronde stenen, waarvan de bovenste maalsteen precies op de onderste paste en daarop rondgedraaid kon worden (Deut. 24:6; Job 41:24). Thans is de zware onderste steen (de legger) meestal van basalt en heeft dikwijls een middellijn van ca. 45 cm en is ca. 5-10 cm dik. Een pin in het midden van de onderste steen dient als as voor de bovenste steen. Het maalvlak van de vast op de grond staande onderste steen is enigszins bol, zodat het fijngemalen graan naar de rand van de molen kan lopen. De enigszins holle onderkant van de bovenste molensteen (de loper) past precies op de bovenkant van de onderste steen. Een trechtervormig gat in het midden van de bovenste steen dient als pengat en tevens als opening om het graan in de molen te doen. Dicht bij de buitenrand van de bovenste steen bevindt zich een gat waarin een houten stok wordt geplaatst die dienst doet als handvat voor de bovenste maalsteen.

Over het algemeen werd zo’n soort handmolen door twee vrouwen bediend (Luk. 17:35). Zij zaten tegenover elkaar, elk met één hand aan het handvat om de bovenste steen rond te draaien. Een van de vrouwen deed met haar vrije hand telkens een beetje ongemalen graan in het vulgat van de bovenste steen, terwijl de andere het meel verzamelde dat over de buitenrand van de molen op het blad onder de molen viel of op het doek dat onder de molen was uitgespreid.

Aangezien brood gewoonlijk dagelijks werd gebakken en er derhalve vaak graan tot meel werd vermalen, verbood Gods aan Israël gegeven wet op barmhartige wijze om iemands handmolen of de bovenste maalsteen ervan tot pand te nemen. Een gezin was voor zijn dagelijks brood aangewezen op de handmolen. Vandaar dat het tot pand nemen daarvan of van de bovenste maalsteen, het tot pand nemen van „een ziel” of „middel tot levensonderhoud” betekende. — Deut. 24:6; vergelijk NW, Stud., voetn.

In de Schrift wordt ook van grotere molens gewag gemaakt. Jezus Christus sprak over een „molensteen zoals door een ezel wordt rondgedraaid” (Matth. 18:6); deze molen kan overeenkomst hebben vertoond met die welke de blinde Simson voor de Filistijnen moest ronddraaien toen ’hij een maler werd in het gevangenhuis’. — Recht. 16:21.

Toen Abimelech de stad Tebez belegerde, „gooide een zekere vrouw een bovenste molensteen op Abimelechs hoofd en verbrijzelde zijn schedel” (Recht. 9:50, 53; 2 Sam. 11:21). In de Openbaring wordt de plotselinge en definitieve vernietiging van Babylon de Grote vergeleken met het in zee slingeren van een „steen . . . gelijk een grote molensteen”. — Openb. 18:21.

Vrouwen die aan een handmolen werken

[Illustratie op blz. 1084]

Vrouwen die aan een handmolen werken

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen