MIKTAM
(Mi̱ktam) [misschien: boetepsalm].
Dit Hebreeuwse woord dat voorkomt in de opschriften van zes psalmen die aan David worden toegeschreven (Ps. 16, 56–60), is van onzekere betekenis; ook de afleiding van het woord staat niet vast. Er zijn verschillende pogingen gedaan om de Hebreeuwse uitdrukking mikh·tamʹ te definiëren. De lexicografen Koehler en Baumgartner geven te kennen dat mikh·tamʹ verwant kan zijn met het Akkadische katamu, wat „bedekken” betekent, en zeggen dat „boetepsalm” een mogelijke definitie is (Lexicon in Veteris Testamenti Libros, blz. 523). „Miktam” kan derhalve een lied of een psalm aanduiden waarvan de bedoeling is zonde, schuld of onreinheid te bedekken of er verzoening voor te doen. Er schijnt verzoening in opgesloten te liggen, want Davids mikh·tamʹ-psalmen bevatten tot op zekere hoogte klaagliederen, ofschoon ze ook dankbaarheid voor Jehovah’s hulp en vertrouwen jegens hem tot uitdrukking brengen.