METAALBEWERKER.
Iemand die metalen giet, smeedt, modelleert, graveert of anderszins bewerkt (Jes. 41:7). De eerste „smeder van allerlei gereedschap van koper en ijzer” die in de geschiedenis wordt genoemd, was Tubal-Kaïn (Gen. 4:22). Metaalbewerkers in de oudheid maakten gereedschap, huishoudelijke voorwerpen, wapens, wapenrusting, muziekinstrumenten, siervoorwerpen en beeldjes. Behalve dat zij nieuwe voorwerpen maakten, verrichtten zij ook reparatiewerkzaamheden (2 Kron. 24:12). Velen waren vaklieden op het gebied van het bewerken van metalen zoals goud (Neh. 3:8, 31, 32), zilver (Recht. 17:4; Hand. 19:24) of koper (2 Tim. 4:14). Soms vormden zij een soort vereniging of gilde (Neh. 3:31; Hand. 19:24-28). Hun ambacht vereiste bekwaamheid op het gebied van artistieke vormgeving.
Het is mogelijk dat de Israëlieten het bewerken van metaal al verstonden voordat zij Egypte binnentrokken, of het kan ook zijn dat zij het daar hebben geleerd. Tegen de tijd van de uittocht uit Egypte waren zij in staat een gegoten kalf en een koperen slang te maken (Ex. 32:4; Num. 21:9). Indrukwekkender was echter de vervaardiging van verscheidene metalen voorwerpen voor de dienst in de tabernakel. Jehovah’s geest hielp Bezaleël en zijn helpers bij hun metaalbewerking. — Ex. 31:2, 3; 35:30-35.
Later, toen de Israëlieten door de Filistijnen werden onderdrukt, mochten zij geen eigen metaalbewerkers hebben. Deze maatregel belette hen wapens te maken (1 Sam. 13:19-22). Ongetwijfeld om soortgelijke redenen nam Nebukadnezar na zijn eerste aanval op Jeruzalem de metaalbewerkers en andere handwerkslieden gevangen. — 2 Kon. 24:14, 16; Jer. 24:1; 29:1, 2.