MATTHIAS
(Matthi̱as) [Griekse vorm van Mattathja: geschenk van Jehovah].
De discipel die door het lot werd uitgekozen om Judas Iskariot als apostel te vervangen. Na Jezus’ hemelvaart vestigde Petrus er de aandacht op dat Judas’ ontrouw in Psalm 109:8 was voorzegd, waaraan echter de woorden waren toegevoegd: „Iemand anders neme zijn ambt van opzicht”, en deed de ongeveer 120 bijeengekomen discipelen daarom het voorstel de opengevallen plaats opnieuw te bezetten. Jozef Barsabbas en Matthias werden ter verkiezing voorgedragen en na een gebed werd het lot geworpen, waarbij het lot op Matthias viel. Aangezien dit slechts een paar dagen vóór de uitstorting van de heilige geest gebeurde, is dit het laatste in de bijbel opgetekende voorval waarbij men zich van het lot bediende om Jehovah’s beslissing in een aangelegenheid te weten te komen. — Hand. 1:15-26.
Volgens Petrus’ woorden (vs. 21, 22) was Matthias als een intieme metgezel van de apostelen, gedurende de drie en een half jaar van Jezus’ bediening een volgeling van Christus geweest, en hij behoorde zeer waarschijnlijk tot de 70 discipelen of evangelisten die Jezus had uitgezonden om te prediken (Luk. 10:1). Nadat hij was gekozen, werd hij door de gemeente „met de elf apostelen gerekend” (Hand. 1:26), en wanneer in Handelingen onmiddellijk daarna sprake is van „de apostelen” of „de twaalf”, was Matthias daarbij inbegrepen. — Hand. 2:37, 43; 4:33, 36; 5:12, 29; 6:2, 6; 8:1, 14; 9:27.