METSELAAR.
Een handwerker die allerhande metselwerk maakt (2 Kon. 12:12; 22:6). De steenhouwer uit de oudheid behieuw en bezaagde de stenen die hij vervolgens bij de constructie van muren en diverse gebouwen gebruikte (2 Sam. 5:11; 1 Kon. 7:9-12; 1 Kron. 22:2; 2 Kron. 24:12). Ook grafsteden (Jes. 22:16) en watertunnels werden gebouwd. — 2 Kon. 20:20.
Tot de werktuigen die de metselaar gebruikte, behoorden hamer, bijl, steenzaag, waterpasinstrument, meetsnoer en schietlood (1 Kon. 6:7; 7:9; Jes. 28:17; Zach. 4:10). Zoals op monumenten duidelijk te zien is, werkten Egyptische metselaars — en ongetwijfeld ook Israëlitische steenhouwers — bovendien met houten hamers en beitels. In Egypte werden stenen die men bij de bouw gebruikte, gemeten en van donkere strepen voorzien die als aanwijzing voor de steenhouwers dienden. Elke steen werd ook gemarkeerd of van een nummer voorzien, opdat men wist waar die geplaatst moest worden.
In de oudheid wisten metselaars stenen zo goed te behouwen dat het gebruik van mortel niet nodig was. Nu nog is het onmogelijk het lemmet van een mes tussen de massieve stenen van de ruïnes van bepaalde gebouwen te steken die in Palestina werden gevonden en die uit de Herodiaanse tijd dateren.