MADE.
Het larvale of wormachtige stadium van een insekt vlak na het verlaten van het ei. De uitdrukking „made” wordt vooral toegepast op de vliegelarven die in rottende plantaardige of dierlijke stoffen en in levende weefsels worden aangetroffen. De levende of rottende substantie voorziet in warmte voor het uitbroeden van de eieren en in voedsel voor de maden.
De Schrift geeft te kennen dat maden parasieten zijn en zich met dode organische stoffen voeden (Job 7:5; 17:14; 21:26; 24:20; Jes. 14:11). Als de Israëlieten het miraculeuze manna tot de morgen van de volgende dag bewaarden, stonk het en wemelde het van de wormen of maden, met uitzondering van het manna dat op de zesde dag werd verzameld en bewaard werd voor de sabbat (Ex. 16:20, 24). Toen Jezus in verband met Gehenna over de „made” sprak, doelde hij klaarblijkelijk op de vuilstortplaats buiten de stad Jeruzalem, waar een vuur het afval verteerde en waar wormen of maden zich voedden met rottend materiaal dat in de nabijheid van het vuur (niet daarin) lag (Mark. 9:48; vergelijk Jesaja 66:24). Bildad gebruikte het woord „made” om op de nietigheid van de mens te wijzen. — Job 25:6; zie GEHENNA.