GEWRICHTSBANDEN.
De vertaling van het Griekse woord sun·desʹmos, dat band van eenheid, iets wat bindt, betekent.
Toen Paulus waarschuwde voor het gevaar van „schijnnederigheid” in het geval van iemand die slechts voorwendt een christen te zijn, zei hij: „Terwijl hij niet vasthoudt aan het hoofd, aan degene uit wie het gehele lichaam, dat door middel van zijn gewrichten en gewrichtsbanden [sun·desʹmon] van het nodige wordt voorzien en harmonisch wordt samengevoegd, blijft groeien met de groei die God geeft” (Kol. 2:18, 19). Hier wordt de gemeente van gezalfde christenen vergeleken met een lichaam, dat een hoofd heeft. De onderlinge afhankelijkheid van de leden blijkt doordat er wordt gezegd dat het lichaam „door middel van zijn gewrichten en gewrichtsbanden . . . harmonisch wordt samengevoegd”. Aldus gebruikt Paulus de uitdrukking „gewrichtsbanden” in figuurlijke zin in verband met het geestelijke lichaam van Christus, waarvan Jezus het hoofd is. (Vergelijk 1 Korinthiërs 12:12-30; Johannes 15:4-10.) In het menselijk lichaam moet elk lid ertoe bijdragen dat alles goed functioneert en groeit, en dat geldt zowel voor het ontvangen van voedingsstoffen en instructies als het doorgeven hiervan aan andere lichaamsleden. Zo is het ook met het lichaam van Christus, de gemeente.