Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 969-970
  • Leider, edele, vorst

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Leider, edele, vorst
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Leider, edele, vorst
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Vorst
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Vorst
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Edele
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 969-970

LEIDER, EDELE, VORST.

Diverse Hebreeuwse woorden kunnen afwisselend met „leider”, „edele” en „vorst” worden vertaald. De meest voorkomende zijn:

Na·ghidhʹ, wat „overste”, „leider”, „familiehoofd” betekent, wordt op Saul en David toegepast in verband met hun benoeming tot koning over Israël, en ook op Hizkia als de koning van Juda. Zij hadden de verantwoordelijkheid Jehovah’s volk te weiden (1 Sam. 9:16; 25:30; 2 Sam. 5:2; 2 Kon. 20:5). De stam Juda werd door Jehovah uitgekozen om de leider van de 12 stammen van Israël te zijn. Uit Juda kwam de koningsdynastie van David. — 1 Kron. 28:4; Gen. 49:10; Recht. 1:2.

Jezus wordt in Daniël 9:25 en Jesaja 55:4 aangeduid als „Messias de Leider” en als „een leider en gebieder voor de nationale groepen”. Hij gaf zijn discipelen de raad: „Laat u ook geen ’leiders’ noemen, want één is uw Leider [Grieks: kath·e·geʹtes, een gids], de Christus” (Matth. 23:10). Met betrekking tot de christelijke gemeente is Jezus Christus de enige die rechtmatig de titel „Leider” draagt, omdat geen enkel onvolmaakt mens de leider van ware christenen is; zij volgen Christus. Hoewel er personen zijn die „de leiding nemen” in Gods dienst, dragen zij niet de titel „leider” en worden zij ook niet als zodanig aangesproken, en hun voorbeeld dient men slechts te volgen in zoverre zij Christus navolgen. — 1 Kor. 11:1; Hebr. 13:7.

Na·dhivʹ, wat „edel”, „gewillig”, „vrijwillig” betekent, wordt in Numeri 21:18 als een parallelle uitdrukking van de term „vorsten” gebruikt voor degenen van Israël die gewillig een put in de wildernis dolven. Het woord wordt ook gebruikt voor degenen die een vrijwillige bijdrage voor de bouw van de tabernakel schonken (Ex. 35:5). Het gebruik van de uitdrukking in Job 12:21 geeft te kennen dat er ook vooraanstaande en belangrijke posities mee worden bedoeld. — Zie ook Psalm 83:9-11.

Het Hebreeuwse woord chō·rimʹ, dat „edelen”, „vrijen” betekent, wordt voor bepaalde invloedrijke mannen in een stad van het tienstammenrijk Israël gebruikt (1 Kon. 21:8, 11); ook voor joden die onder het Perzische Rijk een positie van autoriteit bekleedden (Neh. 5:7; 13:17). Velen van de edelen uit Juda en Jeruzalem, onder wie Daniël en zijn metgezellen, werden door koning Nebukadnezar tijdens de eerste gevangenschap in 617 v.G.T. gevankelijk naar Babylon gevoerd en anderen werden door hem in 607 v.G.T. afgeslacht. — Jer. 27:20; 39:6; Dan. 1:3, 6.

Sar, wat „vorst”, „overste”, „leider”, „beambte” betekent, is afgeleid van een werkwoord dat „heersen”, „regeren” betekent. Hoewel het dikwijls met „vorst” wordt vertaald, heeft het niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen betrekking op de zoon van een koning of op een persoon van koninklijke rang. De stamhoofden van Israël werden „vorsten” genoemd (1 Kron. 27:22). Ook degenen die een hoge positie onder Farao van Egypte bekleedden en koning Nebukadnezar van Babylon werden zo betiteld (Gen. 12:15; Jer. 38:17, 18, 22; Esth. 3:12). Een legeroverste kon als sar aangeduid worden (Neh. 2:9). Jehovah wordt in Daniël 8:11, 25 de „Vorst van het heerleger” en de „Vorst der vorsten” genoemd. De aartsengel Michaël is „de grote vorst die ten behoeve van de zonen van [Daniëls] volk optreedt” (Dan. 12:1). Onzichtbare demonenvorsten die de wereldmachten Perzië en Griekenland beheersten, worden in Daniël 10:13, 20 vermeld. — Vergelijk Efeziërs 6:12.

Psalm 45, waarvan de verzen 6 en 7 door de apostel Paulus op Christus Jezus worden toegepast (Hebr. 1:8, 9), bevat de uitspraak: „In de plaats van uw voorvaders zullen uw zonen blijken te zijn, die gij tot vorsten zult aanstellen op de gehele aarde” (Ps. 45:16). Over Abraham, Isaäk en Jakob, mannen in de afstammingslijn van Christus’ voorvaders, staat geschreven: „In geloof zijn al dezen gestorven, ofschoon zij de vervulling van de beloften niet verkregen hebben, maar zij hebben ze van verre gezien en begroet” (Hebr. 11:8-10, 13). Aangezien de heerschappij van Christus een „bestuur” omvat, om „alle dingen weer bijeen te vergaderen . . ., de dingen in de hemelen en de dingen op de aarde” (Ef. 1:10), is het mogelijk dat hij niet alleen ondergeschikte koningen en priesters in de hemel zal hebben (Openb. 20:6), maar ook ’vorstelijke’ vertegenwoordigers op de aarde, die de aanwijzingen van de koning opvolgen. (Vergelijk Hebreeën 2:5, 8.) Jesaja 32:1, 2 is duidelijk een deel van een Messiaanse profetie en beschrijft de nuttige diensten die door zulke „vorsten” onder de Koninkrijksheerschappij verricht zullen worden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen