LAURIER
[Hebreeuws: ’oʹren].
Deze boom komt slechts eenmaal in de Hebreeuwse Geschriften voor, namelijk in Jesaja 44:14, waar hij als de laatste van verscheidene bomen wordt genoemd. Koehler en Baumgartner (Lexicon in Veteris Testamenti Libros, blz. 88) vereenzelvigen de naam met de laurierboom (Laurus nobilis). De laurier is een altijdgroene plant, die vaak als struik groeit maar wel 15 m hoog kan worden. Daarom kon Jesaja zeggen dat de stromende regen ervoor zorgt dat de boom „groot wordt”. De hele boom (bladeren, bast, wortels en vruchten) bevat een olie die vanouds voor medicinale doeleinden wordt gebruikt. De bladeren zijn langwerpig en leerachtig en hebben een glanzende bovenkant. Ze dienen ook als toekruid. In het voorjaar bloeit de boom met kleine geelachtig witte bloesems, die tot zwartblauwe bessen rijpen. De Laurus nobilis vindt men zowel aan de kust als in het berggebied in Midden-Palestina, alsook in andere Middellandse-Zeelanden.
Laurierbladeren werden door de Grieken in de oudheid gebruikt voor het vlechten van kransen, die zij de overwinnaars in de Pythische spelen als een kroon op het hoofd zetten en ook als onderscheidingssymbool uitreikten aan degenen die een bepaald ambt bekleedden.
[Illustratie op blz. 961]
Bloeiende tak van de laurierboom