MEER VAN VUUR.
Deze uitdrukking komt alleen in het boek Openbaring voor en is duidelijk symbolisch. De bijbel zelf verklaart en definieert het symbool met de woorden: „Dit betekent de tweede dood: het meer van vuur.” — Openb. 20:14; 21:8.
Daar het meer van vuur de „tweede dood” afbeeldt en Openbaring 20:14 zegt dat „de dood en Hades” erin geslingerd zullen worden, ligt het voor de hand dat het meer geen afbeelding kan zijn van de dood die de mens van Adam heeft geërfd (Rom. 5:12) en het evenmin betrekking heeft op Hades (of Sjeool), daar Hades samen met de dood in het meer van vuur vernietigd zal worden. Het moet daarom een vernietiging afbeelden die eeuwig is en die altijd aangewend zal kunnen worden ten aanzien van eventuele personen die het te eniger tijd in de toekomst zouden verdienen door God vernietigd te worden. Het symboliseert dan ook een dood waaruit geen terugkeer is, want nergens wordt in het verslag vermeld dat het meer degenen opgeeft die zich erin bevinden, zoals dat bij de Adamitische dood en Hades (Sjeool) het geval is (Openb. 20:13). Bijgevolg worden degenen die niet in „het boek des levens” geschreven worden bevonden, in het meer van vuur of de tweede dood geslingerd, evenals Satan en het symbolische „wilde beest” en de symbolische „valse profeet” daarin geworpen worden. — Openb. 19:20; 20:10, 15.
Hoewel de voorgaande teksten en het hele taalgebruik in de betreffende context in het boek Openbaring duidelijk het symbolische karakter van het meer van vuur doen uitkomen, wordt het door sommigen beschouwd als een afbeelding van een letterlijke plaats van vuur, en Openbaring 20:10 wordt ter staving daarvan aangevoerd omdat daar wordt gezegd dat de Duivel, het wilde beest en de valse profeet „dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid”. Het hier gebruikte woord „gepijnigd” is een vertaling van het Griekse woord ba·sa·niʹzo. Volgens de Theological Dictionary of the New Testament (1964, onder redactie van G. Kittel, Deel 1, blz. 561-563) betekent de infinitief van dit woord „eigenlijk ’met de toetssteen (βάσανος [baʹsa·nos]) keuren’, d.w.z. ’ertegen wrijven’, ’de echtheid toetsen van’, ’onderzoeken of beproeven’, voorts ’foltermiddelen aanwenden om achter de waarheid te komen’, ’kwellen of folteren’ bij een verhoor of voor een rechtbank. In het N[ieuwe] T[estament] komt het slechts in de algemene betekenis van ’kwellen’ of ’pijnigen’ voor.” Als bewijs worden teksten als Mattheüs 8:6, 29; Markus 5:7; Lukas 8:28; 2 Petrus 2:8 en Openbaring 12:2 aangehaald. Van dezelfde strekking is de uiteenzetting over de verwante woorden ba·sa·nisʹmos (Openb. 9:5; 18:7) en ba·sa·nisʹtes (Matth. 18:34). Over ba·sa·nisʹtes zegt het bovenvermelde werk dat het „in het N[ieuwe] T[estament] niet voorkomt in de oorspronkelijke betekenis van ’toetser’ of ’onderzoeker’, maar dat het eenmaal aangetroffen wordt in Mt. 18:34 in de zin van een ’pijniger’”. Daar een gevangenis vaak een plaats van foltering of pijniging was, werd de gevangenbewaarder soms de „pijniger” (ba·sa·niʹstes) genoemd, zoals in Mattheüs 18:34. Degenen die in het „meer van vuur” worden geworpen, gaan de „tweede dood” in, waaruit geen opstanding is, en worden dus ’gevangengezet’ of opgesloten in de dood en als het ware tot in alle eeuwigheid aan de hoede van gevangenbewaarders, „pijnigers”, toevertrouwd. Dat een toestand van opsluiting als een pijniging aangeduid kan worden, blijkt uit de parallelle verslagen in Mattheüs 8:29 en Lukas 8:31. — Zie GEHENNA.