KURIOS.
Dit Griekse woord is een bijvoeglijk naamwoord, dat op het bezit van macht (kuʹros) of autoriteit duidt, maar wordt ook als zelfstandig naamwoord gebruikt. Het komt in elk boek van de christelijke Griekse Geschriften voor behalve in Titus en in de brieven van Johannes. Het kan betrekking hebben op de „meester” van een huis, van een wijngaard of van de oogst (Mark. 13:35; Matth. 20:8; Luk. 10:2), of op een wereldlijk heerser zoals de Romeinse keizer, de „Heer” van de stadhouder Festus. — Hand. 25:24-26.
Kuʹri·os was de titel waarmee slaven hun meester en kinderen hun vader aanspraken. Ook andere personen gebruikten het woord, en wel in soortgelijke zin als in het Engels het woord „sir” („Heer” als hoffelijke of respectvolle aanspreekvorm) wordt gebruikt (Matth. 13:27; 21:29; Joh. 12:21). Het veelvuldigst wordt het in verband met Jezus Christus gebruikt, die „Heer [Kuʹri·os] is, tot de heerlijkheid van God, de Vader” (Fil. 2:9-11; Mark. 7:26-28; Hand. 2:36; 10:36 en vele andere teksten). De term komt overeen met het Hebreeuwse ’A·dhōnʹ. In de Hebreeuwse Geschriften wordt de titel „Heer” [’A·dhōnʹ of soms, als meervoud van uitnemendheid, ’Adho·naiʹ) toegepast op Jehovah God, de „Heer der heren” (Deut. 10:17). Als Gods geschapen Zoon en Knecht spreekt Jezus Christus zijn Vader en God (Joh. 20:17) derhalve terecht met „Heer” (’Adho·naiʹ of Kuʹri·os) aan, Degene die macht en autoriteit heeft, zijn Hoofd (Matth. 11:25; 1 Kor. 11:3). Als degene die tot de rechterhand van zijn Vader is verhoogd, is Jezus met betrekking tot allen — met uitzondering van zijn Vader, God, de Almachtige — de „Heer der heren”. — Openb. 17:14; 19:15, 16; vergelijk 1 Korinthiërs 15:27, 28; zie HEER; JEHOVAH.