JOTHAM
(Jo̱tham) [Jehovah is volmaakt; of: moge Jehovah voltooien].
1. De jongste zoon van rechter Gideon (Jerubbaäl), die in Ofra woonde (Recht. 8:35; 9:5). Nadat Gideon gestorven was, vermoordde Abimelech (Gideons zoon bij een slavin) al zijn halfbroers behalve Jotham, die zich verborgen had. Toen de grondbezitters van Sichem daarna Abimelech koning hadden gemaakt, stelde Jotham zich op de top van de berg Gerizim en sprak door middel van een illustratie omtrent bomen een profetische vervloeking over de grondbezitters van Sichem en Abimelech uit. Daarna nam Jotham de vlucht en ging in Beër wonen. — Recht. 9:6-21, 57.
2. De zoon van de Judese koning Uzzia (Azarja) bij Jerusa, de dochter van Zadok (2 Kon. 15:32, 33; 1 Kron. 3:12; 2 Kron. 27:1; Matth. 1:9). Nadat Uzzia met melaatsheid was geslagen omdat hij toornig was geworden op de priesters — die hem wegens het feit dat hij onrechtmatig de tempel was binnengedrongen en gepoogd had reukwerk te offeren, terechtgewezen hadden — begon Jotham de koninklijke plichten van zijn vader waar te nemen. Maar klaarblijkelijk begon de 25-jarige Jotham zijn 16 jaar durende heerschappij (777–ca. 762 v.G.T.) pas nadat Uzzia gestorven was. — 2 Kon. 15:5, 7, 32; 2 Kron. 26:18-21, 23; 27:8.
In de dagen van Jotham werden bepaalde Gadieten in het geslachtsregister opgenomen, en Jesaja, Hosea en Micha dienden als profeten (1 Kron. 5:11, 17; Jes. 1:1; Hos. 1:1; Micha 1:1). Hoewel Jothams onderdanen valse aanbidding op de hoge plaatsen beoefenden, deed hij echter zelf wat recht was in Jehovah’s ogen. — 2 Kon. 15:35; 2 Kron. 27:2, 6.
Tijdens de regering van Jotham werden er veel bouwwerkzaamheden verricht. Hij richtte de bovenpoort van de tempel op, had een belangrijk aandeel aan de bouw van de muur van de Ofel, bouwde ook steden in het bergland van Juda en versterkte plaatsen en torens in de bosrijke streken. — 2 Kron. 27:3-7.
Jothams regering werd echter niet door vrede gekenmerkt. Hij voerde oorlog tegen de Ammonieten en overwon hen ten slotte. Dientengevolge moesten zij hem drie jaar lang een jaarlijkse schatting van 100 talenten zilver en 10.000 kor-maten (ca. 2.200.000 liter) tarwe alsook een zelfde hoeveelheid gerst betalen (2 Kron. 27:5). Tijdens de regering van Jotham begonnen tevens de Syrische koning Rezin en de Israëlitische koning Pekah militaire druk op het land Juda uit te oefenen. — 2 Kon. 15:37.
Toen Jotham stierf, werd hij in de Stad van David begraven en kwam zijn zoon Achaz, die ongeveer vier jaar was toen Jotham koning werd, op de troon van Juda. — 2 Kron. 27:7–28:1.
Aangezien Jotham slechts 16 jaar regeerde, moet de verwijzing in 2 Koningen 15:30 naar het „twintigste jaar van Jotham” klaarblijkelijk worden opgevat als het 20ste jaar vanaf het tijdstip dat hij koning was geworden, d.w.z. als het vierde jaar van Achaz. De schrijver van het verslag in Koningen kan er de voorkeur aan hebben gegeven op deze plaats geen melding te maken van Jothams opvolger Achaz, omdat hij nog enkele details over Jothams regering wilde verschaffen.
[Illustratie op blz. 836]
Zegel met de inscriptie: „[Toebehorend] aan Jotham”