JOËL
(Jo̱ël) [Jehovah is God].
1. De eerstgeboren zoon van de profeet Samuël en de vader van Heman, de levitische zanger (1 Kron. 6:28, 33, 36; 15:17). Joël en zijn jongere broer Abia waren door hun vader tot rechter benoemd, maar de oneerlijke wijze waarop zij hun ambt uitoefenden, verschafte het volk een excuus om een menselijke koning te verlangen. — 1 Sam. 8:1-5.
In 1 Kronieken 6:28 zegt de masoretische tekst (evenals sommige vertalingen) dat „Vasni” Samuëls eerstgeborene was. Over het algemeen zijn de geleerden het er echter over eens dat in het oorspronkelijke Hebreeuws „Joël” heeft gestaan, een lezing die in het Syrisch en in één uitgave van de Septuaginta bewaard is gebleven. (Vergelijk vers 28 met 1 Samuël 8:2.) Het is mogelijk dat de overeenkomst tussen „Joël” en de uitgang van een voorafgaand woord in de tekst er de oorzaak van is geweest dat een afschrijver de naam „Joël” per ongeluk geheel en al heeft weggelaten. Naar het schijnt heeft hij toen het volgende woord (Hebreeuws: wasj·niʹ, dat „en de tweede [zoon]” betekent) voor de eigennaam „Vasni” aangezien en de letter waw („en”) vóór de naam Abia ingevoegd.
2. Een profeet van Jehovah en de schrijver van het bijbelboek dat zijn naam draagt. Hij was de zoon van Pethuël. — Joël 1:1; zie JOËL, HET BOEK.