JETHRO
(Je̱thro) [uitnemendheid].
Mozes’ schoonvader, een Keniet (Ex. 3:1; Recht. 1:16). Jethro wordt ook Rehuël genoemd (Num. 10:29), wat erop zou kunnen duiden dat Jethro („uitnemendheid”) een titel geweest kan zijn, terwijl Rehuël een eigennaam was. Zoals uit tal van inscripties blijkt, was het echter niet ongewoon wanneer een Arabische hoofdman twee of zelfs meer namen had. In de masoretische tekst van Exodus 4:18 wordt Jethro als „Jether” gespeld.
Jethro was „de priester van Midian”. Als hoofd van een groot gezin met ten minste zeven dochters en één met name genoemde zoon (Ex. 2:15, 16; Num. 10:29), en belast met de verantwoordelijkheid niet alleen in materieel opzicht voor zijn gezin te zorgen maar hun ook in de aanbidding voor te gaan, wordt hij terecht „de priester [of overste] van Midian” genoemd, wat op zich niet noodzakelijkerwijs betekent dat hij een aanbidder van Jehovah God was. Het kan echter zijn dat Jethro’s voorouders hem de ware aanbidding hebben ingeprent en dat daarvan nog iets in het gezin voortleefde. Zijn gedrag doet althans vermoeden dat hij een diep respect voor de God van Mozes en Israël had. — Ex. 18:10-12.
Jethro kwam met zijn toekomstige schoonzoon in contact in 1553 v.G.T., kort nadat Mozes uit Egypte was gevlucht. Jethro’s dochters, die buiten bezig waren hun vaders kleinveekudden te hoeden, kregen hulp van Mozes bij het drenken van de dieren, en dit vertelden zij aan hun vader, die nu op zijn beurt Mozes gastvrijheid betoonde. Daarop ging Mozes bij Jethro inwonen en na verloop van tijd trouwde hij met diens dochter Zippora. Nadat Mozes ongeveer 40 jaar in de buurt van de berg Horeb (Sinaï) Jethro’s kleinveekudden had gehoed, werd hem door Jehovah geboden naar Egypte terug te keren. Vergezeld van de goede wensen van zijn schoonvader keerde hij terug. — Ex. 2:15-22; 3:1; 4:18; Hand. 7:29, 30.
Later ontving Jethro het bericht van Jehovah’s grote overwinning op de Egyptenaren. Onmiddellijk begaf hij zich naar Mozes bij de berg Horeb, terwijl hij Zippora en Mozes’ twee zonen meenam; het was werkelijk een bijzonder hartelijk weerzien. Jethro reageerde op Mozes’ verslag over Jehovah’s machtige reddingsdaden door God te zegenen en te belijden: „Nu weet ik inderdaad dat Jehovah groter is dan alle andere goden.” Vervolgens bracht hij slachtoffers aan God (Ex. 18:1-12). De volgende dag sloeg Jethro Mozes gade terwijl deze „van de morgen tot de avond” luisterde naar de problemen van de Israëlieten. Omdat Jethro waarnam hoe uitputtend dit zowel voor Mozes als voor het volk was, stelde hij een systeem voor om autoriteit te delegeren. ’Leid andere bekwame en achtenswaardige mannen op als oversten over tien, vijftig, honderd en duizend om recht te spreken, zodat gij uitsluitend de zaken te horen krijgt die zij niet kunnen behandelen.’ Mozes stemde daarmee in en Jethro keerde naar zijn eigen land terug. — Ex. 18:13-27.
Mozes verzocht Jethro’s zoon Hobab als verkenner op te treden. Klaarblijkelijk stemde hij daar na enige overreding in toe, en sommigen van zijn nakomelingen gingen met Israël het Beloofde Land binnen (Num. 10:29-33). In Rechters 4:11 wordt Hobab als de schoonvader en niet als de zwager van Mozes aangeduid, en dat heeft het begrip bemoeilijkt. De Hebreeuwse uitdrukking die gewoonlijk met „schoonvader” wordt weergegeven, kan echter in ruimere zin betrekking hebben op ieder aangetrouwd mannelijk familielid en zou dus ook kunnen worden opgevat als „zwager”. Te zeggen dat Hobab en niet Jethro Mozes’ schoonvader was, zou in strijd zijn met andere schriftplaatsen. Als Hobab een andere naam voor Jethro zou zijn, zoals sommigen opperen, zou dit tevens betekenen dat twee mannen, vader en zoon, de naam Hobab droegen. Anderzijds kan Hobab, als een van de leiders van de volgende generatie Kenieten, in deze schriftplaats zijn gebruikt als vertegenwoordiger van zijn vader. — Zie HOBAB.