JEHOVAH DER LEGERSCHAREN.
Deze uitdrukking, die in de Schrift meer dan 280 maal voorkomt, is de vertaling van het Hebreeuwse Jeho·wahʹ tseva·’ōthʹ. Veruit het vaakst komt ze voor in de profetische boeken, vooral in Jesaja, Jeremia en Zacharia. Paulus en Jakobus gebruikten de uitdrukking (getranscribeerd in het Grieks) in hun geschriften wanneer zij de profetieën aanhaalden of erop zinspeelden. — Rom. 9:29; Jak. 5:4; vergelijk Jesaja 1:9.
Het Hebreeuwse woord tsa·va’ʹ (enkelvoud; meervoud: tseva·’ōthʹ) betekent in de grond der zaak een letterlijk leger van soldaten of strijdkrachten, zoals in Genesis 21:22; Deuteronomium 20:9 en vele andere schriftplaatsen. De term wordt echter ook in figuurlijke zin gebruikt, bijvoorbeeld in „de hemel en de aarde en hun gehele leger”, of „de zon en de maan en de sterren, heel het heerleger van de hemel” (Gen. 2:1; Deut. 4:19). De meervoudsvorm (tseva·’ōthʹ) wordt een aantal keren gebruikt om de Israëlitische troepen aan te duiden, bijvoorbeeld in Exodus 6:26; 7:4; Numeri 33:1; Psalm 44:9; 60:10. Sommige geleerden geloven dat met de „legerscharen” in de uitdrukking „Jehovah der legerscharen” niet alleen de engelenlegers maar ook de Israëlitische krijgsmacht en de onbezielde hemellichamen worden bedoeld. Het schijnt echter toch dat de „legerscharen” waarvan sprake is, in de eerste plaats — zo niet uitsluitend — de engelenlegers zijn.
Toen Jozua in de buurt van Jericho een engel zag die hem kwam bezoeken en hij hem vroeg of hij voor Israël of voor de tegenstanders was, luidde het antwoord: „Neen, maar ik — als vorst van het leger van Jehovah ben ik nu gekomen” (Joz. 5:13-15). De profeet Michaja deelde de koningen Achab en Josafat mee: „Voorwaar, ik zie Jehovah op zijn troon zitten en heel het hemelleger aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand bij hem staan”, waarmee hij duidelijk op Jehovah’s geestenzonen doelde (1 Kon. 22:19-21). Het gebruik van de meervoudsvorm in „Jehovah der legerscharen” is passend, aangezien van de engelenlegers niet alleen wordt gezegd dat ze onderverdeeld zijn in cherubs, serafs en engelen (Jes. 6:2, 3; Gen. 3:24; Openb. 5:11), maar ook dat ze georganiseerde groepen vormen, zodat Jezus Christus kon zeggen dat hij „meer dan twaalf legioenen engelen” ter beschikking had als hij erom zou vragen (Matth. 26:53). In Hizkia’s smeekbede om hulp tot Jehovah noemde hij hem „Jehovah der legerscharen, de God van Israël, die op de cherubs zit,” waarmee hij kennelijk zinspeelde op de ark van het verbond en de cherubfiguren op het deksel ervan, een symbool van Jehovah’s hemelse troon (Jes. 37:16; vergelijk 1 Samuël 4:4; 2 Samuël 6:2). Elisa’s bevreesde dienaar werd gerustgesteld door een wonderbaarlijk visioen waarin hij zag hoe het gebergte rondom de belegerde stad waar Elisa woonde, vol was van „vurige paarden en strijdwagens”, een gedeelte van Jehovah’s engelenscharen. — 2 Kon. 6:15-17.
De uitdrukking „Jehovah der legerscharen” draagt dan ook de gedachte over van kracht of macht, de macht van de Soevereine Heerser van het universum, die grote legers van geestelijke schepselen tot zijn beschikking heeft (Ps. 103:20, 21; 148:1, 2; Jes. 1:24; Jer. 32:17, 18). Het is derhalve een uitdrukking die diepe eerbied en ontzag inboezemt, maar die terzelfder tijd voor Jehovah’s dienstknechten een bron van vertroosting en aanmoediging betekent. David daagde alleen en zonder hulp van enige aardse krijgsmacht de Filistijnse reus Goliath uit in „de naam van Jehovah der legerscharen, de God van de gevechtslinies van Israël” (1 Sam. 17:45). Niet alleen in tijden van letterlijke oorlogen, maar ook in alle andere beproevingsvolle situaties of bij gewichtige gelegenheden konden Gods dienstknechten gezamenlijk of ieder voor zich moed en hoop putten uit de erkenning van de majesteit van Jehovah’s positie als Soeverein, die weerspiegeld wordt in zijn heerschappij over de geweldige legers die hem vanuit zijn hemelse hoven dienen (1 Sam. 1:9-11; 2 Sam. 6:18; 7:25-29). De door de profeten gebezigde uitdrukking „Jehovah der legerscharen” verschafte degenen die de profetieën hoorden, een reden te meer om zeker te zijn van hun vervulling.