JANNES
(Ja̱nnes) [misschien: hij die misleidt of verleidt].
Een tegenstander van Mozes met wie Paulus afvalligen die de waarheid weerstaan, vergelijkt (2 Tim. 3:8, 9). Jannes en Jambres, over wie gezegd wordt dat hun ’uitzinnigheid allen duidelijk werd’, worden in de Hebreeuwse Geschriften niet met name genoemd. Men is het er echter algemeen over eens dat het twee van de prominente mannen aan Farao’s hof zijn geweest, misschien de magie-beoefenende priesters die Mozes en Aäron telkens als zij daar verschenen, weerstonden (Ex. 7:11, 12, 22; 8:17-19; 9:11). De door de overlevering aangereikte gegevens die hiervoor pleiten, wegen veruit op tegen het weinige dat ertegen wordt ingebracht. Niet-christelijke bronnen zoals Numenius, Plinius de Oudere, Lucius Apuleius, een Qumran-geschrift, de targoem van Jonathan en diverse apocriefe geschriften, noemen alle een van hen of beiden.