IDUMEA
(Idume̱a) [Grieks: (land) der Edomieten].
In de tijd van de Makkabeeën en de Romeinen omsloten de geografische grenzen van Idumea niet het centrum van het ten O. van de Araba gelegen oude Edom, maar gedeelten van het vroegere gebied van de Simeonieten en de Judeeërs. Uit het apocriefe boek Eén Makkabeeën (4:29, 61; 5:65, PC) blijkt dat Idumea het gebied rond Hebron omvatte en zich naar het N. uitstrekte tot aan Beth-Zur, ongeveer 26 km ten Z.Z.W. van Jeruzalem. Naar verluidt werd de Idumeeërs een verpletterende nederlaag toegebracht door Judas de Makkabeeër (1 Makkabeeën 5:3). Volgens Josephus onderwierp Johannes Hyrcanus later alle Idumeeërs, maar stond hij hun toe in het land te blijven wonen op voorwaarde dat zij zich aan de besnijdenis zouden onderwerpen en zich aan de joodse wet zouden houden. Liever dan het land te verlaten, gingen de Idumeeërs met deze voorwaarde akkoord (De joodse geschiedenis, XIII, ix, 1). Onder degenen die persoonlijk naar Jezus toe kwamen toen zij hoorden „wat hij allemaal deed”, bevonden zich ook bewoners van Idumea. — Mark. 3:8; zie EDOM, EDOMIETEN.