HUICHELAAR.
Iemand die voorgeeft iets te zijn wat hij niet is; iemand wiens daden niet in overeenstemming zijn met zijn woorden.
Het met „huichelaar” vertaalde Griekse woord (hu·poʹkri·tes) betekent „antwoordgever”, alsook „toneelspeler”. Griekse en Romeinse acteurs bedienden zich van grote maskers met mechanische voorzieningen om de stem te versterken. Mettertijd werd het Griekse woord hu·poʹkri·tes dan ook in overdrachtelijke zin gebruikt voor personen die een oneerlijk spel speelden of veinsden. Hetzelfde woord komt in de Septuaginta-vertaling voor in Job 34:30 en 36:13. Huichelaars zijn „ontrouwen” (vergelijk Lukas 12:46 met Mattheüs 24:51), en het woord „huichelarij” (hu·poʹkri·sis) zoals het in de Schrift wordt gebruikt, kan ook „goddeloosheid” en „listigheid” betekenen. — Vergelijk Mattheüs 22:18; Markus 12:15; Lukas 20:23; zie ook Galaten 2:13, waar hu·poʹkri·sis met „schijn” is vertaald.
Degenen die met veel uiterlijk vertoon gaven van barmhartigheid schonken, die baden en vastten om door de mensen gezien te worden, en personen die op de met een strootje te vergelijken fout van een broeder vitten maar niets deden om hun eigen met een balk te vergelijken fout te verwijderen, werden door Jezus Christus huichelaars genoemd. Hij rangschikte ook diegenen onder de huichelaars die beweerden dienstknechten van God te zijn, maar die de betekenis van de tijd waarin zij leefden en de gebeurtenissen die zich afspeelden, niet onderscheidden, terwijl zij wel op grond van het aanzien van de aarde en de hemel zonder meer konden zeggen wat voor weer het zou worden. — Matth. 6:2, 5, 16; 7:1-5; Luk. 6:42; 12:54-56.
De Zoon van God stelde toen hij op aarde was de geestelijke leiders van Israël niet alleen als huichelaars aan de kaak, maar hij zei ook welke redenen hij daarvoor had. Zij verrichtten slechts lippendienst voor de Schepper en maakten het woord van God krachteloos ter wille van hun overleveringen (Matth. 15:1, 6-9; Mark. 7:6, 7). Hun daden waren niet in overeenstemming met hun woorden. — Matth. 23:1-36; zie FARIZEEËN.
Een treffend voorbeeld van huichelarij was de handelwijze die de discipelen van de Farizeeën en de partijgangers van Herodes aan de dag legden toen zij naar Jezus toe kwamen in verband met de belastingkwestie. Eerst namen zij hun toevlucht tot vleierij, door te zeggen: „Leraar, wij weten dat gij waarachtig zijt en de weg van God in waarheid onderwijst.” Vervolgens stelden zij de strikvraag: „Is het geoorloofd caesar hoofdgeld te betalen of niet?” Met recht noemde Jezus hen huichelaars, want zij waren er niet werkelijk in geïnteresseerd een antwoord op hun vraag te krijgen, maar hadden deze gesteld om Jezus op zijn woorden te vangen. — Matth. 22:15-22; Luk. 20:19-26.
Een huichelachtige handelwijze blijft niet tot onbepaalde tijd verborgen (Luk. 12:1-3). Huichelaars zijn het volgens Gods oordeel niet waard eeuwig leven te ontvangen (Matth. 24:48-51). Derhalve moeten de liefde en het geloof van een christen zonder huichelarij zijn (Rom. 12:9; 2 Kor. 6:4, 6; 1 Tim. 1:5). De wijsheid van boven is niet huichelachtig. — Jak. 3:17.