HERODES, PARTIJGANGERS VAN
[Grieks: He·ro·diʹa·noi].
Welke groep precies met deze benaming wordt bedoeld, is niet met zekerheid te zeggen, want in de wereldlijke geschiedenis wordt geen melding van de Herodianen gemaakt en in de bijbel worden zij slechts terloops genoemd (Matth. 22:16; Mark. 3:6; 12:13). Tegen de mening van sommigen dat de Herodianen huisknechten, soldaten of hofbeambten van Herodes waren, zijn krachtige tegenwerpingen in te brengen. De meeste geleerden geloven — en ook een overvloed aan steekhoudende bewijsgronden pleit daarvoor — dat zij joodse partijgangers of -aanhangers van de Herodiaanse dynastie waren, die haar macht aan Rome te danken had. Tijdens de bediening van Jezus Christus stond Herodes Antipas aan het hoofd van deze dynastie.
Politiek gezien, stonden de Herodianen in het midden: hun tegenstanders aan de ene kant waren de Farizeeën en joodse zeloten, die pleitten voor een joods koninkrijk dat volkomen onafhankelijk was van Rome, en aan de andere kant bevonden zich degenen die een volledige versmelting van Judea met het Romeinse Rijk voorstonden. Waarschijnlijk behoorden sommigen der Sadduceeën, die in het judaïsme als vrijdenkers en gematigden golden, tot de Herodiaanse richting. Deze conclusie is gebaseerd op Jezus’ uitspraak over het zuurdeeg, zoals die door Mattheüs en Markus is opgetekend. Volgens Mattheüs 16:6 zei Jezus: „Wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en Sadduceeën”, terwijl in Markus 8:15 staat: „Past op voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Herodes.” Door de herhaling van het woord „zuurdeeg” werd beklemtoond dat er onderscheid bestond tussen de verderfelijke leer van de beide partijen. In laatstgenoemde schriftplaats staat in sommige handschriften — de Chester Beatty Papyrus I (P45), de Codex Washingtonianus I en de Codex Koridethianus — „Herodianen” in plaats van „Herodes”.
Eén ding is zeker: Hoewel de partijgangers van Herodes en de Farizeeën lijnrecht tegenover elkaar stonden wat hun politieke en judaïstische zienswijzen betrof, waren zij nauw verenigd in hun felle tegenstand tegen Jezus. Bij ten minste twee gelegenheden beraadslaagden deze elkaar bestrijdende partijen samen hoe zij hun gemeenschappelijke tegenstander het best uit de weg konden ruimen. Het eerste geval waarvan melding wordt gemaakt, deed zich kort na het Pascha in 31 G.T. tijdens de grote predikingsveldtocht van Jezus in Galilea voor. Toen de Farizeeën Jezus op de sabbat de verdorde hand van een man zagen genezen, gingen zij naar buiten „en hielden onmiddellijk met de partijgangers van Herodes raad tegen hem, ten einde hem om te brengen”. — Mark. 3:1-6; Matth. 12:9-14.
Het tweede geval waarvan melding wordt gemaakt, deed zich bijna twee jaar later voor, precies drie dagen voordat Jezus ter dood werd gebracht: discipelen van de Farizeeën en partijgangers van Herodes verenigden zich om Jezus in verband met de belastingkwestie op de proef te stellen. Deze mannen waren in het geheim gehuurd „om voor te wenden dat zij rechtvaardig waren, opdat zij hem op een of ander woord konden vangen, waardoor zij hem konden overleveren aan de regering en aan de autoriteit van de bestuurder” (Luk. 20:20). Nadat zij met vleiende woorden hadden geprobeerd hem zand in de ogen te strooien, stelden zij hem rechtstreeks een vraag over belasting. Maar Jezus, die hun gemene list doorzag, antwoordde: „Waarom stelt gij mij op de proef, huichelaars?” Toen hij vervolgens hun vraag over het betalen van belasting beantwoordde, bracht hij hen volledig tot zwijgen. — Matth. 22:15-22; Luk. 20:21-26.