HANANJA
(Hana̱nja) [Jehovah is goedgunstig geweest].
1. De zoon van Azzur; een valse profeet uit de Benjaminitische stad Gibeon die Jehovah’s profeet Jeremia tegenstond. Terwijl Jeremia er tijdens de regering van koning Zedekia van Juda bij het volk op aandrong hun hals onder het juk van de koning van Babylon te brengen en aldus in leven te blijven (Jer. 27:12-14), profeteerde Hananja daarentegen dat de macht van Babylon binnen twee jaar verbroken zou worden, de daar in ballingschap levende joden vrijgelaten zouden worden en al het in beslag genomen gerei van de tempel teruggebracht zou worden. Teneinde zijn voorzegging te illustreren, nam Hananja het jukhout van Jeremia’s hals en verbrak het. Vervolgens gebood Jehovah Jeremia, Hananja ervan in kennis te stellen dat de houten jukstaven door een ijzeren juk vervangen zouden worden en dat Hananja nog in datzelfde jaar zou sterven. In overeenstemming met de profetie stierf de valse profeet ook in datzelfde jaar. — Jer. hfdst. 28.
2. De Hebreeuwse naam voor Sadrach, één van Daniëls drie joodse metgezellen die in 617 v.G.T. naar Babylon werden gevoerd. — Dan. 1:6, 7; zie SADRACH.