HAMAN
(Ha̱man) [groot; gevierd].
De zoon van Hammedatha, de Agagiet. De benaming „Agagiet” kan erop duiden dat Haman uit een Amalekitisch vorstenhuis afkomstig was (Esth. 3:1). Indien Haman inderdaad een Amalekiet was, zou dit op zichzelf verklaren waarom hij zo’n grote haat jegens de joden koesterde, want Jehovah had verordend dat de Amalekieten ten slotte uitgeroeid moesten worden (Ex. 17:14-16). Jehovah had hiertoe besloten omdat zij van haat jegens God en zijn volk blijk hadden gegeven door zonder dat hier enige aanleiding toe bestond, de Israëlieten op hun tocht door de wildernis aan te vallen. — Ex. 17:8.
Haman was een dienaar van koning Ahasveros (Xerxes I) van Perzië, die volgens betrouwbare bronnen van 486 tot 474 v.G.T. regeerde. Haman werd geëerd en tot eerste minister over het Perzische Rijk aangesteld. Woedend omdat de jood Mordechai weigerde voor hem te buigen, beraamde Haman het snode plan om Mordechai en alle joden in het rijk te verdelgen. Hij schilderde de joden af als ongewenst in het rijk en als wetsovertreders, die wetten hadden welke ’verschilden van die van elk ander volk’. Bovendien voerde hij economische redenen aan voor zijn dringende verzoek. — Esth. 3:1-11.
Haman was uitermate opgeblazen van trots omdat hij van de koning de machtiging had ontvangen een decreet uit te vaardigen tot verdelging en uitplundering van de joden en hij bovendien later uitgenodigd werd voor twee feestmalen van koningin Esther (Esth. 3:12, 13; 5:4-12). Maar net toen Haman dacht dat hij op het punt stond zijn hoogste ambities te verwezenlijken, werden de rollen omgekeerd. Haman, die egotistisch verwacht had verhoogd te worden, werd op smadelijke wijze vernederd toen de koning hem beval de gehate Mordechai, die vroeger een aanslag op het leven van de koning had ontdekt, in het openbaar met groot vertoon te eren (Esth. 6:1-12; 2:21-23). Hamans wijze mannen en zijn vrouw zagen dit als een voorteken dat Haman voor de jood Mordechai zou vallen. — Esth. 6:13.
Hamans ondergang werd bezegeld tijdens het tweede speciale feestmaal van koningin Esther, die de nicht van Mordechai was (Esth. 2:7). Moedig richtte zij in aanwezigheid van Haman een smeekbede tot de koning. Zij onthulde aan de verbaasde koning dat zijn eigen belangen in gevaar verkeerden; ja, het leven van zijn koningin werd door een moorddadig plan bedreigd. De koning werd steeds woedender, maar Esther gaf moedig te kennen dat de nu verschrikte eerste minister, „deze slechte Haman”, de gemene aanstichter van dit plan was (Esth. 7:1-6). Daarop beval de koning, de bloeddorstige Haman aan de ongeveer 22 m hoge paal te hangen die deze voor Mordechai had opgericht (Esth. 7:7-10). Bovendien werd Hamans huis aan Esther gegeven (Esth. 8:7), en Mordechai werd als eerste minister aangesteld en werd gemachtigd de joden toestemming te verlenen zich tegen hun vijanden te verdedigen (Esth. 8:2, 10-15). Twee dagen lang wreekten de joden zich op hun vijanden en behaalden een grote overwinning. Zij doodden meer dan 75.000 van hun vijanden. Ook de tien zonen van Haman werden gedood en de daaropvolgende dag als een smaad voor het oog van het volk opgehangen. — Esth. 9:1-17.
Haman vertoonde de eigenschappen van de Amalekieten. Hij aanbad klaarblijkelijk heidense godheden, en misschien raadpleegde hij astrologen toen hij het lot liet werpen om de gunstigste dag voor de verdelging van de joden vast te stellen (Esth. 3:7). Hij bracht de „werken van het vlees” voort, want hij beoefende afgoderij en spiritisme, legde een dodelijke haat jegens de joden aan de dag en gaf blijk van een trotse, hoogmoedige, egotistische geest. Bovendien was hij uitermate jaloers en afgunstig op anderen, vooral op de dienstknechten van God (Gal. 5:19-21). Hij bediende zich van leugens en bedrog (Esth. 3:8), en toen zijn plannen verijdeld werden en hij schuldig werd bevonden, bleek hij een kruiperige lafaard te zijn (Esth. 7:6-8). Volgens het beginsel in Romeinen 6:16 bewees Haman dat hij een dienstknecht van Gods vijand, de Duivel, was.