HAGEL.
Neerslag in de vorm van ijskorrels of bevroren regen. Hagel is een van de natuurkrachten waarvan Jehovah soms gebruik heeft gemaakt om zijn woord te volbrengen en zijn grote macht te tonen (Ps. 148:1, 8; Jes. 30:30). Het eerste hierover opgetekende bericht hield verband met de zevende plaag die over het oude Egypte kwam, waarbij een verwoestende hagelstorm de plantengroei neersloeg, bomen verbrijzelde en zowel mensen als dieren op het veld doodde. Deze hagel trof de Israëlieten, die in Gosen woonden, echter niet (Ex. 9:18-26; Ps. 78:47, 48; 105:32, 33). Toen de Israëlieten later in het Beloofde Land onder leiding van Jozua de Gibeonieten te hulp snelden, die door een bondgenootschap van vijf koningen der Amorieten werden bedreigd, gebruikte Jehovah grote hagelstenen om de aanvallende Amorieten te doden. Bij deze gelegenheid stierven er meer door de hagelstenen dan in de strijd met de Israëlieten. — Joz. 10:3-7, 11.
Jehovah spaarde echter ook het ontrouwe Israël niet voor verwoestende hagel (Hag. 2:17). Bovendien voorzei hij bij monde van zijn profeet Jesaja de omverwerping van het tienstammenrijk door de Assyriërs, waarbij hij de Assyrische veroveringsstrijdkrachten met een „onweersbui van hagel” vergeleek (Jes. 28:1, 2). Op overeenkomstige wijze moesten de Babyloniërs, gelijk hagel, Juda’s „leugentoevlucht” wegvagen, d.w.z. Juda’s bondgenootschap met Egypte voor militaire hulp. — Jes. 28:14, 17; 31:1-3.
Toen Jehovah uit de storm tot Job sprak, wees hij op de voorraadschuren van hagel die hij had teruggehouden voor „de dag van strijd en oorlog” (Job 38:1, 22, 23). Het is daarom passend dat ook hagel tot de natuurkrachten behoort die tegen de aanvallende strijdkrachten van „Gog” worden aangewend (Ezech. 38:22). Bovendien maakt het boek Openbaring gewag van hagel, en wel in samenhang met de eerste van de zeven engelen die op hun trompet blazen, en in verband met het openen van het hemelse tempelheiligdom van God (Openb. 8:2, 7; 11:19). Vervolgens vallen bij het uitgieten van de zevende schaal van Gods toorn symbolische hagelstenen, ongeveer een talent (ca. 34 kg) zwaar, op de goddeloze mensen neer. — Openb. 16:1, 17, 21.