KIEZEL.
Kleine steentjes, met zand gemengd. In de Schrift wordt „kiezel” in overdrachtelijke zin gebruikt. De schadelijke gevolgen voor wie brood door leugen verwerft, worden vergeleken met de mond vol hebben met kiezel (Spr. 20:17). Ook de strenge behandeling die Jehovah het ontrouwe Jeruzalem door toedoen van de Babyloniërs liet ondergaan, wordt vergeleken met ’de tanden stukbijten op kiezel’ (Klaagl. 3:16). Volgens de traditionele joodse gedachte hebben zij die in Babylonische ballingschap werden weggevoerd, dit letterlijk ondervonden. De overlevering wil namelijk dat zij gedwongen werden hun brood te bakken in gaten die in de grond gegraven waren, waardoor het brood kiezelzand bevatte.